palet
zelfstandig naamwoord, werkwoord paˈlɛtBetekenis
- dunne houten plank, meestal goed in de lak waarop een kunstschilder de verf kan mengen. In het palet zit meestal een gat waar de kunstschilder zijn of haar duim doorheen kan steken
Hoe spreek je palet uit?
/paˈlɛt/
Palet bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| a | maan |
| l | land |
| ɛ | bed |
| t | tak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — neuter
- dunne houten plank, meestal goed in de lak waarop een kunstschilder de verf kan mengen en meestal voorzien van een gat waar de kunstschilder zijn of haar duim doorheen kan steken
- harmonieuze menging van kleuren, gebruikt bij diverse vormen van beeldende kunst (zoals schilderen en keramiek)
- onderling samenhangend geheel figuratively
- platte spaan met handvat, gebruikt bij het pottenbakken
- houten slagplankje gebruikt bij het tafeltennis
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| paletje | verkleinwoord, enkelvoud |
| paletjes | verkleinwoord, meervoud |
| paletten | meervoud |
Woordvorm
- enkelvoud tegenwoordige tijd van paletten
- gebiedende wijs van paletten
Vervoeging van palet
palethele werkwoord
Herkomst
van Frans palette, in de betekenis van ‘verfplankje’ voor het eerst aangetroffen in 1658
Woordfamilie van palet
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| paletje | verkleinwoord | palet |
| paletjes | verkleinwoord meervoud | palet |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van palet zijn vastgelegd.