officier
zelfstandig naamwoord ˌɔfiˈsirBetekenis
- iemand die een rang (in het leger) bekleedt die hem of haar het bevel over een zeker aantal ondergeschikten geeft
- ambtenaar in een bepaalde functie (- officier van justitie)
- stuurman of machinist
Hoe spreek je officier uit?
/ˌɔfiˈsir/
Officier bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɔ | bot |
| f | fiets |
| i | riet |
| s | sok |
| r | rood |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- ambtenaar in een bepaalde functie
- rang binnen een ridderorde, hoger dan ridder, maar niet zo hoog als commandeur of grootkruis
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| officieren | meervoud |
| officiers | meervoud |
| officiertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| officiertjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
via Middelnederlands officier van Frans officier **[1] in de betekenis van ‘rang bij de marine’ aangetroffen vanaf 1685 **[2] in de betekenis van ‘ambtenaar’ aangetroffen vanaf 1340/1360
Woordfamilie van officier
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| officieren | meervoud | officier |
| officiers | meervoud | officier |
| officiertje | verkleinwoord | officier |
| officiertjes | verkleinwoord meervoud | officier |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van officier zijn vastgelegd.