kruis
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- geometrisch figuur waarin twee rechte lijnen elkaar snijden
- constructie van twee onder een hoek aan elkaar vastgemaakte onderdelen
- ongeluk of ellende
- symbolisch teken (het rode kruis, hakenkruis, Andreaskruis)
- christelijk religieus symbool afgeleid van de kruisiging van Jezus Christus
- militaire onderscheiding
- deel van het menselijk lichaam waar de benen samenkomen
- plaats waar de pijpen van een broek samenkomen
- teken in de muzieknotatie dat de verhoging van een toon met een halve stap aangeeft
- achterste deel van paardachtige dieren
- plusteken of maalteken
- een van de kruisverenigingen
- een van beide zijden van een munt
- folterwerktuig.
- bovendeel van een anker
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kruisen | enkelvoud |
| kruisje | verkleinwoord |
| kruisjes | verkleinwoord, enkelvoud |
| kruizen | enkelvoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kruisen
- gebiedende wijs van kruisen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kruisen
Vervoeging van kruis
kruishele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘twee balken die elkaar rechthoekig snijden’ voor het eerst aangetroffen in 991
Woordfamilie van kruis
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kruisje | verkleinwoord | kruis |
| kruisjes | verkleinwoord | kruis |
| kruizen | enkelvoud | kruis |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kruis zijn vastgelegd.