lid
zelfstandig naamwoord lɪtBetekenis
- iemand die behoort tot een groep, vereniging, organisatie of sekte
- deel van een paragraaf van een wetsartikel
- mannelijk geslachtsdeel
- ooglid
- deel van het lichaam
- deel van een insect
- deel van de stengel dat zich tussen de twee knopen bevindt
- deel van een samengesteld woord
- deksel
- top, cap
- eyelid
- lead
- volk; een groep mensen die een aantal dingen gemeenschappelijk hebben, zoals afstamming, taal, gewoontes of overlevering
- volk; de lagere klassen
- volk, natie; de inwoners van een land
- volk; een aantal mensen
- národ
Hoe spreek je lid uit?
/lɪt/
Lid bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| l | land |
| ɪ | pit |
| t | tak |
zelfstandig naamwoord — neuter
- iemand die behoort tot een bepaalde groep, vereniging, organisatie of sekte
- mannelijk geslachtsdeel, penis
- deel van het lichaam in het algemeen
- rang binnen een ridderorde, onder die van ridder
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| leden | meervoud |
| lidje | verkleinwoord, enkelvoud |
| lidjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘penis’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1530
Woordfamilie van lid
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| lidje | verkleinwoord | lid |
| lidjes | verkleinwoord meervoud | lid |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van lid zijn vastgelegd.