klier
zelfstandig naamwoord, werkwoord klirBetekenis
- een onuitstaanbaar mens.
- een orgaan dat een stof afscheidt.
- een cel die een product afscheidt dat door een plant niet verder verwerkt wordt.
Hoe spreek je klier uit?
/klir/
Klier bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| l | land |
| i | riet |
| r | rood |
Klinkt hetzelfde als clear.
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- een orgaan dat een lichaamsstof afscheidt
- een cel die een product afscheidt dat door een plant niet verder verwerkt wordt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| klieren | meervoud |
| kliertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kliertjes | verkleinwoord, meervoud |
zelfstandig naamwoord — masculine
- een onuitstaanbaar iemand (meestal van het mannelijk geslacht) informal, pejorative
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| klieren | meervoud |
| kliertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kliertjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van klieren
- gebiedende wijs van klieren
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van klieren
Vervoeging van klier
klierhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘vochtafscheidend orgaan’ voor het eerst aangetroffen in 1351
Woordfamilie van klier
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kliertje | verkleinwoord | klier |
| kliertjes | verkleinwoord meervoud | klier |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van klier zijn vastgelegd.