pier
zelfstandig naamwoord, werkwoord pirBetekenis
- een regenworm
- een in een zee of rivier uitstekende brug, dam of golfbreker
- overdekte loopbrug van terminal naar de vliegtuigen op een luchthaven
- pier
- pijler
- penant
Hoe spreek je pier uit?
/pir/
Pier bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| i | riet |
| r | rood |
zelfstandig naamwoord — masculine
- regenworm
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| pieren | meervoud |
| piertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| piertjes | verkleinwoord, meervoud |
zelfstandig naamwoord — masculine
- overdekte loopbrug van de terminal naar de vliegtuigen op een luchthaven
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| pieren | meervoud |
| piertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| piertjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pieren
- gebiedende wijs van pieren
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pieren
Vervoeging van pier
pierhele werkwoord
Herkomst
zelfstandig naamwoord: Van Middelnederlands pier, mogelijk uit het Noors. In de betekenis van ‘worm’ voor het eerst aangetroffen in 1401
zelfstandig naamwoord: Van Engels pier, dat zelf mogelijk via het Oudfrans of Picardisch (pire/piere) valt te herleiden tot Latijn petricus (< petra)
Woordfamilie van pier
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| pieren | meervoud | pier |
| piertje | verkleinwoord | pier |
| piertjes | verkleinwoord meervoud | pier |
| gepierd | woordvorm | pieren |
| piere | woordvorm | pieren |
| pierend | woordvorm | pieren |
| pierende | woordvorm | pieren |
| piert | woordvorm | pieren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van pier zijn vastgelegd.