vier
hoofdtelwoord, zelfstandig naamwoord, werkwoord /viːr/Betekenis
- '4', het getal tussen drie en vijf
- het cijfer 4
- dat wat in een (rang)ordening met 4 is aangeduid
- groep van 4 eenheden
- het getal tussen de drie en de vijf, in Arabische cijfers 4, in Romeinse cijfers IV
- worm
- vuur
Hoe spreek je vier uit?
/vir/
Vier bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| i | riet |
| r | rood |
hoofdtelwoord
- "4", het getal tussen drie en vijf
Verbuiging en vervoeging (hoofdtelwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| 100 | |
| 4 | |
| IV |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vieren
- gebiedende wijs van vieren
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vieren
Vervoeging van vier
vierhele werkwoord
Herkomst
erfwoord, via Middelnederlands vier/viere van Oudnederlands fier, als telwoord voor het eerst aangetroffen in het jaar 701
Woordfamilie van vier
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| viertje | woordvorm | vier |
| viertjes | meervoud | vier |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vier zijn vastgelegd.