kleinood
zelfstandig naamwoord ˈklɛinotBetekenis
- klein voorwerp van hoge waarde
- het draagteken van een ridder- of andere orde in de vorm van een versiersel dat hangt aan een om het lichaam gedragen lint, keten of koord
Hoe spreek je kleinood uit?
/ˈklɛinot/
Kleinood bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| l | land |
| ɛi | trein |
| n | nek |
| o | boot |
| t | tak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — neuter
- draagteken van een ridder- of andere orde in de vorm van een versiersel dat hangt aan een om het lichaam gedragen lint, keten of koord
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kleinoden | meervoud |
| kleinodiën | meervoud |
| kleinoodje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kleinoodjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
van Middelnederlands cleinoot / clenode, in de betekenis van ‘kostbaar voorwerp’ aangetroffen vanaf 1240
Woordfamilie van kleinood
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kleinoden | meervoud | kleinood |
| kleinodiën | meervoud | kleinood |
| kleinoodje | verkleinwoord | kleinood |
| kleinoodjes | verkleinwoord meervoud | kleinood |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kleinood zijn vastgelegd.