ridder
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈrɪdərBetekenis
- oorspronkelijk een bereden en bepantserde ruiter die de ridderslag ontvangen had
Hoe spreek je ridder uit?
/ˈrɪdər/
Ridder bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| r | rood |
| ɪ | pit |
| d | dak |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- rang in een ridderorde, boven die van lid, maar onder die van officieren en commandeurs
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ridders | meervoud |
| riddertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| riddertjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ridderen
- gebiedende wijs van ridderen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ridderen
Vervoeging van ridder
ridderhele werkwoord
Herkomst
van Middelnederlands riddere, net als "ruiter" afgeleid van het werkwoord rijden; in de betekenis van ‘adellijke titel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1220
Woordfamilie van ridder
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ridders | meervoud | ridder |
| riddertje | verkleinwoord | ridder |
| riddertjes | verkleinwoord meervoud | ridder |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ridder zijn vastgelegd.