buideldier
zelfstandig naamwoord ˈbœydəlˌdirBetekenis
- zoogdiersoort waarvan de wijfjes een buidel hebben, waarin hun vroeggeboren jongen verder in opgroeien
Hoe spreek je buideldier uit?
/ˈbœydəlˌdir/
Buideldier bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| œy | huis |
| d | dak |
| ə | de |
| l | land |
| i | riet |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
zelfstandig naamwoord — neuter
- zoogdiersoort uit de infraklasse Marsupialia waarvan de wijfjes een buidel hebben, waarin hun vroeggeboren jongen verder in opgroeien
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| buideldieren | meervoud |
| buideldiertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| buideldiertjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘zoogdier dat het jong in een buidel draagt’ aangetroffen vanaf 1869.
Woordfamilie van buideldier
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| buideldiertje | verkleinwoord | buideldier |
| buideldiertjes | verkleinwoord meervoud | buideldier |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van buideldier zijn vastgelegd.