particulier
bijvoeglijk naamwoord, zelfstandig naamwoord ˌpɑrtikyˈlirBetekenis
- niet van de overheid
- heel persoonlijk; niet algemeen geldend
- een persoon zonder bedrijfsfunctie
- bijzonder
Hoe spreek je particulier uit?
/ˌpɑrtikyˈlir/
Particulier bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de vierde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| ɑ | bad |
| r | rood |
| t | tak |
| i | riet |
| k | kat |
| y | fuut |
| l | land |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
bijvoeglijk naamwoord
- niet van de overheid of onder rechtstreeks toezicht daarvan vallend
- niet van een groter bedrijf; van één persoon
- heel persoonlijk [2]
- niet algemeen geldend
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| particulierder | onverbogen, vergrotende trap |
| particulierdere | verbogen, vergrotende trap |
| particulierders | partitief, vergrotende trap |
| particuliere | verbogen, stellende trap |
| particuliers | partitief, stellende trap |
| particulierst | onverbogen, overtreffende trap |
| particulierste | verbogen, overtreffende trap |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘privaat’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1454
Woordfamilie van particulier
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| particulierder | vergrotende trap | particulier |
| particulierdere | verbogen vergrotende trap | particulier |
| particulierders | partitieve vergrotende trap | particulier |
| particuliere | verbogen vorm | particulier |
| particulieren | meervoud | particulier |
| particuliers | partitive, positive | particulier |
| particulierst | uninflected, superlative | particulier |
| particulierste | inflected, superlative | particulier |
| particuliertje | woordvorm | particulier |
| particuliertjes | meervoud | particulier |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van particulier zijn vastgelegd.