makroon
zelfstandig naamwoord /maˈkron/Betekenis
- amandelkoekje, bitterkoekje, koekje bereid uit amandelspijs en eiwit, met naar plaats en tijd verschillende bereidingswijzen: rond 1900 in België en Zuid-Nederland vooral een heel klein meelkoekje op papier vastgebakken, vanaf de twintigste eeuw ook twee koekjes op elkaar met een zachte vulling ertussen, vaak met opvallende kleuren.
Hoe spreek je makroon uit?
/maˈkron/
Makroon bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| m | maan |
| a | maan |
| k | kat |
| r | rood |
| o | boot |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| makronen | meervoud |
| makroontje | verkleinwoord, enkelvoud |
| makroontjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘koekje’ voor het eerst aangetroffen in 1700
Woordfamilie van makroon
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| makronen | meervoud | makroon |
| makroontje | verkleinwoord | makroon |
| makroontjes | verkleinwoord meervoud | makroon |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van makroon zijn vastgelegd.