Naar de inhoud

lopen

(Noord-Nederlands) stappen, gaan, wandelen

lopen is meer dan één woord

lopen

werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈlopə(n)

Betekenis

  1. (Noord-Nederlands) stappen, gaan, wandelen
  2. (Zuid-Nederlands) rennen
  3. (Noord-Nederlands) stappen, gaan
  4. voortgang maken
  5. vloeien of stromen
  6. ~ te: duratief hulpwerkwoord, iets doen terwijl men loopt
  7. In Nederland heeft dit woord de connotatie van stappen of gaan. Voor zich snel verplaatsen met de benen gebruikt men eerder rennen.
  8. In België heeft dit woord de connotatie van rennen. Voor zich traag voortbewegen met de benen gebruikt men eerder gaan of stappen.
  9. 7 In samengestelde tijden vervalt te.

Hoe spreek je lopen uit?

/ˈlopən/

Lopen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈlopən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
l land
o boot
p pak
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

werkwoord

  1. stappen, gaan, wandelen ergative
  2. rennen ergative
  3. stappen, gaan unergative
  4. grammaticaal in orde zijn

Vervoeging van lopen

lopenhele werkwoord — liepverleden tijd enkelvoud — liepenverleden tijd meervoud — gelopenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik loop liep
jij loopt liep
hij, zij, het loopt liep
wij lopen liepen
jullie lopen liepen
zij lopen liepen
Alle 96 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ben gelopen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gelopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is gelopen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gelopen impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gelopen impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gelopen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gelopen worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gelopen zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gelopen worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gelopen zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gelopen verleden tijd, deelwoord
gelopen te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gelopen te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gelopen zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gelopen zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gelopen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gelopen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gelopen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gelopen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gelopen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gelopen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gelopen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gelopen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gelopen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gelopen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gelopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gelopen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gelopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gelopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gelopen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is gelopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gelopen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
liep verleden tijd
loop gebiedende wijs
lope aanvoegende wijs
lopend onvoltooid, deelwoord
te hebben gelopen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te lopen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zijn gelopen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen lopen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart gelopen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gelopen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gelopen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gelopen voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gelopen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gelopen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gelopen voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal gelopen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gelopen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gelopen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gelopen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gelopen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gelopen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal lopen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal lopen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal lopen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn gelopen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn gelopen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gelopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gelopen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gelopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou gelopen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gelopen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gelopen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gelopen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gelopen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gelopen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou lopen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou lopen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou lopen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gelopen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gelopen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gelopen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gelopen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gelopen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gelopen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden lopen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden lopen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden lopen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gelopen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gelopen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt lopen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gelopen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gelopen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gelopen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gelopen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gelopen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gelopen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen lopen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen lopen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen lopen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen lopen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gelopen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gelopen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult lopen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord loop

Herkomst

In de betekenis van ‘gaan’ voor het eerst aangetroffen in 901

Woordfamilie van lopen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gelopen voltooid deelwoord lopen
liep verleden tijd lopen
liepen aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon lopen
liept aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, enkelvoud, 2e persoon lopen
loopen woordvorm lopen
loopt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon lopen
lope aanvoegende wijs lopen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van lopen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over lopen

Hoe spreek je lopen uit?
De uitspraak van lopen is: /ˈlopə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd. Het teken ˈ geeft de klemtoon aan: de nadruk valt op de eerste lettergreep.
Wat betekent lopen?
Lopen is een werkwoord. Het woord betekent: (Noord-Nederlands) stappen, gaan, wandelen. Deze pagina beschrijft 13 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je lopen?
Je vervoegt lopen als volgt: de tegenwoordige tijd is loop, de verleden tijd is liep en het voltooid deelwoord is gelopen. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op lopen?

Op lopen rijmen 35 woorden, onder andere verkopen, kopen en hopen. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Rijmwoorden op lopen, uitspraak ˈlopən, de gangbaarste eerst.
Rijmwoord Lettergrepen
verkopen 3
kopen 2
hopen 2
open 2
afgelopen 4
bekopen 3
verlopen 3
slopen 2
overlopen 4
doorverkopen 4
tropen 2
ontlopen 3
nopen 2
onderlopen 4
hordelopen 4
bloeddoorlopen 4
overkopen 4
aangelopen 4
aangeslopen 4
boerenknopen 4
doorgelopen 4
geboortehoroscopen 7
gelopen 3
gesnopen 3
kinetoscopen 5
langeafstandslopen 6
mierenhopen 4
ontdopen 3
opgelopen 4
seismoscopen 4
seksbioscopen 5
stukgelopen 4
verzopen 3
weversknopen 4
zopen 2

Scrabble punten

Naar spel

Het woord lopen is 9 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. L 3
  2. O 1
  3. P 3
  4. E 1
  5. N 1
  6. 9 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

lopen levert met Wordfeud minimaal 10 en maximaal 54 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. L 3
  2. O 1
  3. P 4
  4. E 1
  5. N 1
  6. 10 zonder bonus
  7. 54 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

lopen telt 5 letters, waarvan 5 verschillende. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 6.487 woorden van 5 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

lopen in het kort

lopen is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Welke van de twee het is, hangt af van de zin. Hierboven staan 13 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van lopen zijn 58 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort lopen bij een woordfamilie van 7 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

lopen: (Noord-Nederlands) stappen, gaan, wandelen
Deel lopen — standaardnederlands.nl