doodlopen
werkwoordBetekenis
- van wegen: eindigen, niet verder gaan
- van onderhandelingen en andere activiteiten: niet verder gaan
Vervoeging van doodlopen
doodlopenhele werkwoord — liep doodverleden tijd enkelvoud — liepen doodverleden tijd meervoud — doodgelopenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | loop dood | liep dood |
| jij | loopt dood | liep dood |
| hij, zij, het | loopt dood | liep dood |
| wij | lopen dood | liepen dood |
| jullie | lopen dood | liepen dood |
| zij | lopen dood | liepen dood |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben doodgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent doodgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| dood te lopen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| dood te zullen lopen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| dood zal lopen | bijzin, toekomende tijd |
| dood zou lopen | bijzin, voorwaardelijk |
| dood zouden lopen | bijzin, voorwaardelijk |
| dood zoudt lopen | bijzin, voorwaardelijk |
| dood zullen lopen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| dood zullen lopen | bijzin, toekomende tijd |
| dood zult lopen | bijzin, toekomende tijd |
| doodgelopen | verleden tijd, deelwoord |
| doodgelopen te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| doodgelopen zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| doodliep | bijzin, verleden tijd |
| doodliepen | bijzin, verleden tijd |
| doodloop | bijzin, tegenwoordige tijd |
| doodloopt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| doodlopend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| is doodgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is doodgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| liep dood | verleden tijd |
| loop dood | gebiedende wijs |
| te zijn doodgelopen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen doodlopen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart doodgelopen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren doodgelopen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren doodgelopen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren doodgelopen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was doodgelopen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was doodgelopen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was doodgelopen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal doodgelopen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal doodgelopen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal doodgelopen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal doodlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal doodlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal doodlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal doodlopen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn doodgelopen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn doodgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn doodgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn doodgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt doodgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou doodgelopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou doodgelopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou doodgelopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou doodlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou doodlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou doodlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou doodlopen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) doodlopen dood zou(dt) lopen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden doodgelopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden doodgelopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden doodgelopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden doodlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden doodlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden doodlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden doodlopen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt doodgelopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt doodlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt doodlopen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen doodgelopen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen doodgelopen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen doodgelopen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen doodlopen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen doodlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen doodlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen doodlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen doodlopen | bijzin, toekomende tijd |
| zult doodgelopen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult doodlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult doodlopen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal doodlopen dood zult/zal lopen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van dood en lopen
Woordfamilie van doodlopen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| doodgelopen | voltooid deelwoord | doodlopen |
| doodliep | subordinate-clause, verleden tijd | doodlopen |
| doodliepen | subordinate-clause, verleden tijd | doodlopen |
| doodloop | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | doodlopen |
| doodloopt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | doodlopen |
| doodlope | with-subordinate-clause | doodlopen |
| liep dood | verleden tijd | doodlopen |
| liepen dood | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | doodlopen |
| loop dood | gebiedende wijs | doodlopen |
| loopt dood | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | doodlopen |
| lope dood | woordvorm | doodlopen |
| lopen dood | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | doodlopen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van doodlopen zijn vastgelegd.