Naar de inhoud

doodlopen

van wegen: eindigen, niet verder gaan

doodlopen

werkwoord

Betekenis

  1. van wegen: eindigen, niet verder gaan
  2. van onderhandelingen en andere activiteiten: niet verder gaan

Vervoeging van doodlopen

doodlopenhele werkwoord — liep doodverleden tijd enkelvoud — liepen doodverleden tijd meervoud — doodgelopenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik loop dood liep dood
jij loopt dood liep dood
hij, zij, het loopt dood liep dood
wij lopen dood liepen dood
jullie lopen dood liepen dood
zij lopen dood liepen dood
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ben doodgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent doodgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
dood te lopen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
dood te zullen lopen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
dood zal lopen bijzin, toekomende tijd
dood zou lopen bijzin, voorwaardelijk
dood zouden lopen bijzin, voorwaardelijk
dood zoudt lopen bijzin, voorwaardelijk
dood zullen lopen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
dood zullen lopen bijzin, toekomende tijd
dood zult lopen bijzin, toekomende tijd
doodgelopen verleden tijd, deelwoord
doodgelopen te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
doodgelopen zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
doodliep bijzin, verleden tijd
doodliepen bijzin, verleden tijd
doodloop bijzin, tegenwoordige tijd
doodloopt bijzin, tegenwoordige tijd
doodlopend onvoltooid, deelwoord
ev. gebiedende wijs
is doodgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is doodgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
liep dood verleden tijd
loop dood gebiedende wijs
te zijn doodgelopen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen doodlopen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart doodgelopen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren doodgelopen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren doodgelopen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren doodgelopen voltooid, verleden tijd, derde persoon
was doodgelopen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was doodgelopen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was doodgelopen voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal doodgelopen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal doodgelopen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal doodgelopen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal doodlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal doodlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal doodlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal doodlopen bijzin, toekomende tijd
zijn doodgelopen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn doodgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn doodgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn doodgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt doodgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou doodgelopen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou doodgelopen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou doodgelopen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou doodlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou doodlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou doodlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou doodlopen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) doodlopen dood zou(dt) lopen bijzin, voorwaardelijk
zouden doodgelopen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden doodgelopen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden doodgelopen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden doodlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden doodlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden doodlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden doodlopen bijzin, voorwaardelijk
zoudt doodgelopen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt doodlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt doodlopen bijzin, voorwaardelijk
zullen doodgelopen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen doodgelopen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen doodgelopen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen doodlopen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen doodlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen doodlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen doodlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen doodlopen bijzin, toekomende tijd
zult doodgelopen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult doodlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult doodlopen bijzin, toekomende tijd
zult/zal doodlopen dood zult/zal lopen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van dood en lopen

Woordfamilie van doodlopen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
doodgelopen voltooid deelwoord doodlopen
doodliep subordinate-clause, verleden tijd doodlopen
doodliepen subordinate-clause, verleden tijd doodlopen
doodloop subordinate-clause, tegenwoordige tijd doodlopen
doodloopt subordinate-clause, tegenwoordige tijd doodlopen
doodlope with-subordinate-clause doodlopen
liep dood verleden tijd doodlopen
liepen dood aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon doodlopen
loop dood gebiedende wijs doodlopen
loopt dood aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon doodlopen
lope dood woordvorm doodlopen
lopen dood aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon doodlopen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van doodlopen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over doodlopen

Wat is de betekenis van doodlopen?
Doodlopen is een werkwoord. De betekenis is: van wegen: eindigen, niet verder gaan. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik doodlopen?
Zo vervoeg je doodlopen zo: het voltooid deelwoord is doodgelopen. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord doodlopen is 15 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. D 2
  2. O 1
  3. O 1
  4. D 2
  5. L 3
  6. O 1
  7. P 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 15 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

doodlopen levert met Wordfeud minimaal 16 en maximaal 72 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. D 2
  2. O 1
  3. O 1
  4. D 2
  5. L 3
  6. O 1
  7. P 4
  8. E 1
  9. N 1
  10. 16 zonder bonus
  11. 72 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

doodlopen in het kort

doodlopen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van doodlopen staan er 46 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort doodlopen bij een woordfamilie van 12 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

doodlopen: van wegen: eindigen, niet verder gaan
Deel doodlopen — standaardnederlands.nl