kreupelen
werkwoord, zelfstandig naamwoord /krøpəɫə(n)/Betekenis
- kreupel slaan, een persoon of dier dusdanig letsel toebrengen dat het zich voortbewegen blijvend bemoeilijkt of onmogelijk wordt
Hoe spreek je kreupelen uit?
/krøpələn/
Kreupelen bestaat uit drie lettergrepen.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| r | rood |
| ø | deur |
| p | pak |
| ə | de |
| l | land |
| n | nek |
Vervoeging van kreupelen
kreupelenhele werkwoord — kreupeldeverleden tijd enkelvoud — kreupeldenverleden tijd meervoud — gekreupeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | kreupel | kreupelde |
| jij | kreupelt | kreupelde |
| hij, zij, het | kreupelt | kreupelde |
| wij | kreupelen | kreupelden |
| jullie | kreupelen | kreupelden |
| zij | kreupelen | kreupelden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gekreupeld | verleden tijd, deelwoord |
| gekreupeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gekreupeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gekreupeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gekreupeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gekreupeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gekreupeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gekreupeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gekreupeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gekreupeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gekreupeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gekreupeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gekreupeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gekreupeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gekreupeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gekreupeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gekreupeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gekreupeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| kreupel | gebiedende wijs |
| kreupelde | verleden tijd |
| kreupele | aanvoegende wijs |
| kreupelend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gekreupeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te kreupelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen kreupelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gekreupeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gekreupeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gekreupeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal kreupelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal kreupelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal kreupelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gekreupeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gekreupeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gekreupeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou kreupelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou kreupelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou kreupelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gekreupeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gekreupeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gekreupeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden kreupelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden kreupelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden kreupelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gekreupeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt kreupelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gekreupeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gekreupeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gekreupeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen kreupelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen kreupelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen kreupelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen kreupelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gekreupeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult kreupelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord kreupele
Woordfamilie van kreupelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gekreupeld | voltooid deelwoord | kreupelen |
| gekreupelde | woordvorm | kreupelen |
| kreupelde | verleden tijd | kreupelen |
| kreupelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | kreupelen |
| kreupelend | onvoltooid deelwoord | kreupelen |
| kreupelende | woordvorm | kreupelen |
| kreupelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | kreupelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kreupelen zijn vastgelegd.