ijsberen
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈɛizberə(n)Betekenis
- rusteloos heen en weer lopen
Hoe spreek je ijsberen uit?
/ˈɛizberən/
Ijsberen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɛi | trein |
| z | zon |
| b | bak |
| e | veel |
| r | rood |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van ijsberen
ijsberenhele werkwoord — ijsbeerdeverleden tijd enkelvoud — ijsbeerdenverleden tijd meervoud — geijsbeerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ijsbeer | ijsbeerde |
| jij | ijsbeert | ijsbeerde |
| hij, zij, het | ijsbeert | ijsbeerde |
| wij | ijsberen | ijsbeerden |
| jullie | ijsberen | ijsbeerden |
| zij | ijsberen | ijsbeerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| geijsbeerd | verleden tijd, deelwoord |
| geijsbeerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geijsbeerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geijsbeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geijsbeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geijsbeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geijsbeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geijsbeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geijsbeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geijsbeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geijsbeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geijsbeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geijsbeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geijsbeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geijsbeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geijsbeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geijsbeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geijsbeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| ijsbeer | gebiedende wijs |
| ijsbeerde | verleden tijd |
| ijsbere | aanvoegende wijs |
| ijsberend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geijsbeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te ijsberen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ijsberen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geijsbeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geijsbeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geijsbeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ijsberen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ijsberen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ijsberen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geijsbeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geijsbeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geijsbeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ijsberen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ijsberen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ijsberen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geijsbeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geijsbeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geijsbeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ijsberen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ijsberen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ijsberen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geijsbeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ijsberen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geijsbeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geijsbeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geijsbeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ijsberen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen ijsberen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ijsberen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ijsberen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geijsbeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult ijsberen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord ijsbeer
Herkomst
In de betekenis van ‘rusteloos heen en weer lopen’ voor het eerst aangetroffen in 1897
Woordfamilie van ijsberen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geijsbeerd | voltooid deelwoord | ijsberen |
| ijsbeerde | verleden tijd | ijsberen |
| ijsbeerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | ijsberen |
| ijsbeert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | ijsberen |
| ijsbere | aanvoegende wijs | ijsberen |
| ijsberend | onvoltooid deelwoord | ijsberen |
| ijsberende | woordvorm | ijsberen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ijsberen zijn vastgelegd.