scharrelen
werkwoord ˈsxɑrələ(n)Betekenis
- losse verkering hebben
- telkens wat anders ter hand nemen
- op ongeregelde wijze kleinhandel drijven in
- (van hoenders) heen en weer lopen en intussen in de grond wroeten
- onzekere of moeilijke wijze voortbewegend ergens heen gaan
- onzeker, moeilijk of doelloos bewegen
- bij elkaar ~ door vlijtig zoeken vergaren
Hoe spreek je scharrelen uit?
/ˈsxɑrələn/
Scharrelen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| x | acht |
| ɑ | bad |
| r | rood |
| ə | de |
| l | land |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- heen en weer lopen en intussen in de grond wroeten unergative
Vervoeging van scharrelen
scharrelenhele werkwoord — scharreldeverleden tijd enkelvoud — scharreldenverleden tijd meervoud — gescharreldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | scharrel | scharrelde |
| jij | scharrelt | scharrelde |
| hij, zij, het | scharrelt | scharrelde |
| wij | scharrelen | scharrelden |
| jullie | scharrelen | scharrelden |
| zij | scharrelen | scharrelden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gescharreld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gescharreld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gescharreld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gescharreld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gescharreld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gescharreld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gescharreld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gescharreld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gescharreld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gescharreld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gescharreld | verleden tijd, deelwoord |
| gescharreld te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gescharreld te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gescharreld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gescharreld te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gescharreld te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gescharreld worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gescharreld zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gescharreld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gescharreld zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gescharreld zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gescharreld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gescharreld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gescharreld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gescharreld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gescharreld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gescharreld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gescharreld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gescharreld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gescharreld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gescharreld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gescharreld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gescharreld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gescharreld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gescharreld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gescharreld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gescharreld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gescharreld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| scharrel | gebiedende wijs |
| scharrelde | verleden tijd |
| scharrele | aanvoegende wijs |
| scharrelend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gescharreld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te scharrelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen scharrelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gescharreld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gescharreld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gescharreld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gescharreld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gescharreld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gescharreld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gescharreld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gescharreld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gescharreld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gescharreld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gescharreld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gescharreld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gescharreld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gescharreld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gescharreld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gescharreld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gescharreld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gescharreld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gescharreld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gescharreld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gescharreld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gescharreld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gescharreld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gescharreld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gescharreld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gescharreld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gescharreld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal scharrelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal scharrelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal scharrelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gescharreld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gescharreld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gescharreld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gescharreld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gescharreld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gescharreld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gescharreld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gescharreld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gescharreld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gescharreld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gescharreld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gescharreld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gescharreld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou scharrelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou scharrelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou scharrelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gescharreld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gescharreld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gescharreld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gescharreld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gescharreld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gescharreld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gescharreld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gescharreld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gescharreld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden scharrelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden scharrelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden scharrelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gescharreld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gescharreld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gescharreld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt scharrelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gescharreld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gescharreld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gescharreld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gescharreld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gescharreld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gescharreld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gescharreld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gescharreld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gescharreld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen scharrelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen scharrelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen scharrelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen scharrelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gescharreld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gescharreld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gescharreld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult scharrelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘rommelen’ voor het eerst aangetroffen in 1783
Woordfamilie van scharrelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gescharreld | voltooid deelwoord | scharrelen |
| gescharrelde | woordvorm | scharrelen |
| scharrelde | verleden tijd | scharrelen |
| scharrelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | scharrelen |
| scharrele | aanvoegende wijs | scharrelen |
| scharrelend | onvoltooid deelwoord | scharrelen |
| scharrelende | woordvorm | scharrelen |
| scharrelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | scharrelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van scharrelen zijn vastgelegd.