Naar de inhoud

scharrelen

losse verkering hebben

scharrelen

werkwoord ˈsxɑrələ(n)

Betekenis

  1. losse verkering hebben
  2. telkens wat anders ter hand nemen
  3. op ongeregelde wijze kleinhandel drijven in
  4. (van hoenders) heen en weer lopen en intussen in de grond wroeten
  5. onzekere of moeilijke wijze voortbewegend ergens heen gaan
  6. onzeker, moeilijk of doelloos bewegen
  7. bij elkaar ~ door vlijtig zoeken vergaren

Hoe spreek je scharrelen uit?

/ˈsxɑrələn/

Scharrelen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈsxɑrələn/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
s sok
x acht
ɑ bad
r rood
ə de
l land
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

werkwoord

  1. heen en weer lopen en intussen in de grond wroeten unergative

Vervoeging van scharrelen

scharrelenhele werkwoord — scharreldeverleden tijd enkelvoud — scharreldenverleden tijd meervoud — gescharreldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik scharrel scharrelde
jij scharrelt scharrelde
hij, zij, het scharrelt scharrelde
wij scharrelen scharrelden
jullie scharrelen scharrelden
zij scharrelen scharrelden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben gescharreld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gescharreld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is gescharreld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gescharreld impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gescharreld impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gescharreld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gescharreld worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gescharreld zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gescharreld worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gescharreld zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gescharreld verleden tijd, deelwoord
gescharreld te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gescharreld te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gescharreld te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gescharreld te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gescharreld te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gescharreld worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gescharreld zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gescharreld zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gescharreld zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gescharreld zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gescharreld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gescharreld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gescharreld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gescharreld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gescharreld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gescharreld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gescharreld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gescharreld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gescharreld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gescharreld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gescharreld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gescharreld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gescharreld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gescharreld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gescharreld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is gescharreld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gescharreld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
scharrel gebiedende wijs
scharrelde verleden tijd
scharrele aanvoegende wijs
scharrelend onvoltooid, deelwoord
te hebben gescharreld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te scharrelen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen scharrelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart gescharreld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gescharreld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gescharreld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gescharreld voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gescharreld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gescharreld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gescharreld voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gescharreld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd gescharreld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd gescharreld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden gescharreld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden gescharreld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden gescharreld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt gescharreld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word gescharreld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden gescharreld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden gescharreld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden gescharreld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gescharreld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt gescharreld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal gescharreld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gescharreld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gescharreld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gescharreld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gescharreld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gescharreld zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gescharreld zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal scharrelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal scharrelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal scharrelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn gescharreld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gescharreld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gescharreld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gescharreld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou gescharreld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gescharreld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gescharreld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gescharreld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gescharreld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gescharreld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gescharreld zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gescharreld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gescharreld zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou scharrelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou scharrelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou scharrelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gescharreld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gescharreld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gescharreld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gescharreld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gescharreld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gescharreld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gescharreld zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gescharreld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gescharreld zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden scharrelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden scharrelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden scharrelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gescharreld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gescharreld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gescharreld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt scharrelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gescharreld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gescharreld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gescharreld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gescharreld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen gescharreld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen gescharreld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gescharreld zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gescharreld zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gescharreld zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen scharrelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen scharrelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen scharrelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen scharrelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gescharreld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gescharreld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gescharreld zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult scharrelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

In de betekenis van ‘rommelen’ voor het eerst aangetroffen in 1783

Woordfamilie van scharrelen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gescharreld voltooid deelwoord scharrelen
gescharrelde woordvorm scharrelen
scharrelde verleden tijd scharrelen
scharrelden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon scharrelen
scharrele aanvoegende wijs scharrelen
scharrelend onvoltooid deelwoord scharrelen
scharrelende woordvorm scharrelen
scharrelt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon scharrelen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van scharrelen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over scharrelen

Hoe spreek ik scharrelen uit?
Zo spreek je scharrelen uit: /ˈsxɑrələ(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van scharrelen?
Scharrelen is een werkwoord. De betekenis is: losse verkering hebben. In totaal staan er 8 betekenissen.
Hoe vervoeg ik scharrelen?
Zo vervoeg je scharrelen zo: de tegenwoordige tijd is scharrel, de verleden tijd is scharrelde en het voltooid deelwoord is gescharreld. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord scharrelen is 22 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. S 2
  2. C 5
  3. H 4
  4. A 1
  5. R 2
  6. R 2
  7. E 1
  8. L 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 22 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

scharrelen levert met Wordfeud minimaal 22 en maximaal 96 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. S 2
  2. C 5
  3. H 4
  4. A 1
  5. R 2
  6. R 2
  7. E 1
  8. L 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 22 zonder bonus
  12. 96 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

scharrelen in het kort

scharrelen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 8 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van scharrelen staan er 75 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort scharrelen bij een woordfamilie van 8 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

scharrelen: losse verkering hebben
Deel scharrelen — standaardnederlands.nl