rennen
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈrɛŋə(n)Betekenis
- (ongericht) zeer snel lopen
- (gericht) zeer snel lopen
- (meestal in meevoud) een snelheidsproef op de weg of in het terrein
Hoe spreek je rennen uit?
/ˈrɛŋən/
Rennen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| r | rood |
| ɛ | bed |
| ŋ | ding |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- zeer snel lopen unergative
Vervoeging van rennen
rennenhele werkwoord — rendeverleden tijd enkelvoud — rendenverleden tijd meervoud — gerendvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ren | rende |
| jij | rent | rende |
| hij, zij, het | rent | rende |
| wij | rennen | renden |
| jullie | rennen | renden |
| zij | rennen | renden |
Alle 35 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gerend | impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon, voltooid |
| er was gerend | impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, derde persoon, voltooid |
| er werd gerend | impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er wordt gerend | impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er zal gerend worden | impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er zal gerend zijn | impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, derde persoon, voltooid |
| er zou gerend worden | impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon, onvoltooid |
| er zou gerend zijn | impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, derde persoon, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gerend | verleden tijd, deelwoord |
| gerend te zullen hebben, zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gerend zullen hebben, zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| hebben, zijn gerend | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ren | gebiedende wijs |
| rende | verleden tijd |
| renne | aanvoegende wijs |
| rennend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben, zijn gerend | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te rennen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen rennen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal rennen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal rennen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal rennen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou rennen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou rennen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou rennen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden rennen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden rennen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden rennen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt rennen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen rennen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen rennen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen rennen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen rennen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult rennen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
zelfstandig naamwoord — masculine
- een snelheidsproef op de weg of in het terrein
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord ren
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| [B] | canonical |
Herkomst
In de betekenis van ‘hard lopen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
Woordfamilie van rennen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| rende | verleden tijd | rennen |
| renden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | rennen |
| renne | aanvoegende wijs | rennen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van rennen zijn vastgelegd.