schuifelen
werkwoordBetekenis
- zich door de voeten kleine afstanden over de vloer te schuiven ergens heen voortbewegen
- zich door de voeten kleine afstanden over de vloer te schuiven voortbewegen
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van schuifelen
schuifelenhele werkwoord — schuifeldeverleden tijd enkelvoud — schuifeldenverleden tijd meervoud — geschuifeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | schuifel | schuifelde |
| jij | schuifelt | schuifelde |
| hij, zij, het | schuifelt | schuifelde |
| wij | schuifelen | schuifelden |
| jullie | schuifelen | schuifelden |
| zij | schuifelen | schuifelden |
Alle 36 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is geschuifeld | impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon, voltooid |
| er was geschuifeld | impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, derde persoon, voltooid |
| er werd geschuifeld | impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er wordt geschuifeld | impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er zal geschuifeld worden | impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er zal geschuifeld zijn | impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, derde persoon, voltooid |
| er zou geschuifeld worden | impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon, onvoltooid |
| er zou geschuifeld zijn | impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, derde persoon, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geschuifeld | verleden tijd, deelwoord |
| geschuifeld te zullen hebben/zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geschuifeld zullen hebben/zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| hebben geschuifeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| schuifel | gebiedende wijs |
| schuifelde | verleden tijd |
| schuifele | aanvoegende wijs |
| schuifelend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben/zijn geschuifeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te schuifelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen schuifelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal schuifelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal schuifelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal schuifelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn geschuifeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zou schuifelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou schuifelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou schuifelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden schuifelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden schuifelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden schuifelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt schuifelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen schuifelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen schuifelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen schuifelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen schuifelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult schuifelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘zich schuivend voortbewegen’ voor het eerst aangetroffen in 1671
Woordfamilie van schuifelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geschuifeld | voltooid deelwoord | schuifelen |
| geschuifelde | woordvorm | schuifelen |
| schuifel | gebiedende wijs | schuifelen |
| schuifelde | verleden tijd | schuifelen |
| schuifelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | schuifelen |
| schuifele | aanvoegende wijs | schuifelen |
| schuifelend | onvoltooid deelwoord | schuifelen |
| schuifelende | woordvorm | schuifelen |
| schuifelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | schuifelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schuifelen zijn vastgelegd.