Naar de inhoud

schuifelen

zich door de voeten kleine afstanden over de vloer te schuiven ergens heen voortbewegen

schuifelen

werkwoord

Betekenis

  1. zich door de voeten kleine afstanden over de vloer te schuiven ergens heen voortbewegen
  2. zich door de voeten kleine afstanden over de vloer te schuiven voortbewegen
  3. tweede betekenisomschrijving
  4. enz.

Vervoeging van schuifelen

schuifelenhele werkwoord — schuifeldeverleden tijd enkelvoud — schuifeldenverleden tijd meervoud — geschuifeldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik schuifel schuifelde
jij schuifelt schuifelde
hij, zij, het schuifelt schuifelde
wij schuifelen schuifelden
jullie schuifelen schuifelden
zij schuifelen schuifelden
Alle 36 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
er is geschuifeld impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon, voltooid
er was geschuifeld impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, derde persoon, voltooid
er werd geschuifeld impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, eerste persoon, onvoltooid
er wordt geschuifeld impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon, onvoltooid
er zal geschuifeld worden impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, eerste persoon, onvoltooid
er zal geschuifeld zijn impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, derde persoon, voltooid
er zou geschuifeld worden impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon, onvoltooid
er zou geschuifeld zijn impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, derde persoon, voltooid
ev. gebiedende wijs
geschuifeld verleden tijd, deelwoord
geschuifeld te zullen hebben/zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geschuifeld zullen hebben/zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
hebben geschuifeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
schuifel gebiedende wijs
schuifelde verleden tijd
schuifele aanvoegende wijs
schuifelend onvoltooid, deelwoord
te hebben/zijn geschuifeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te schuifelen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen schuifelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal schuifelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal schuifelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal schuifelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn geschuifeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zou schuifelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou schuifelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou schuifelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden schuifelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden schuifelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden schuifelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt schuifelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen schuifelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen schuifelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen schuifelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen schuifelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult schuifelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

In de betekenis van ‘zich schuivend voortbewegen’ voor het eerst aangetroffen in 1671

Woordfamilie van schuifelen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
geschuifeld voltooid deelwoord schuifelen
geschuifelde woordvorm schuifelen
schuifel gebiedende wijs schuifelen
schuifelde verleden tijd schuifelen
schuifelden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon schuifelen
schuifele aanvoegende wijs schuifelen
schuifelend onvoltooid deelwoord schuifelen
schuifelende woordvorm schuifelen
schuifelt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon schuifelen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schuifelen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over schuifelen

Wat betekent schuifelen?
Schuifelen is een werkwoord. Het woord betekent: zich door de voeten kleine afstanden over de vloer te schuiven ergens heen voortbewegen. Deze pagina beschrijft 4 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je schuifelen?
Je vervoegt schuifelen als volgt: de tegenwoordige tijd is schuifel, de verleden tijd is schuifelde en het voltooid deelwoord is geschuifeld. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord schuifelen is 26 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. S 2
  2. C 5
  3. H 4
  4. U 4
  5. I 1
  6. F 4
  7. E 1
  8. L 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 26 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

schuifelen levert met Wordfeud minimaal 25 en maximaal 105 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. S 2
  2. C 5
  3. H 4
  4. U 2
  5. I 2
  6. F 4
  7. E 1
  8. L 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 25 zonder bonus
  12. 105 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

schuifelen in het kort

schuifelen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 4 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van schuifelen zijn 29 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort schuifelen bij een woordfamilie van 9 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

schuifelen: zich door de voeten kleine afstanden over de vloer te schuiven ergens heen voortbewegen
Deel schuifelen — standaardnederlands.nl