Naar de inhoud

ontlopen

een bepaald lot vermijden, ontkomen aan iets

ontlopen

werkwoord ɔntˈlopə(n)

Betekenis

  1. een bepaald lot vermijden, ontkomen aan iets
  2. elkaar ~ van elkaar verschillen

Hoe spreek je ontlopen uit?

/ɔntˈlopən/

Ontlopen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.

De tekens in /ɔntˈlopən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
ɔ bot
n nek
t tak
l land
o boot
p pak
ə de
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van ontlopen

ontlopenhele werkwoord — ontliepverleden tijd enkelvoud — ontliepenverleden tijd meervoud — ontlopenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik ontloop ontliep
jij ontloopt ontliep
hij, zij, het ontloopt ontliep
wij ontlopen ontliepen
jullie ontlopen ontliepen
zij ontlopen ontliepen
Alle 133 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben ontlopen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent ontlopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is ontlopen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was ontlopen impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd ontlopen impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt ontlopen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal ontlopen worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal ontlopen zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou ontlopen worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou ontlopen zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
is ontlopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is ontlopen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
ontliep verleden tijd
ontliep je tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
ontliep me eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud
ontliep zich derde persoon, verleden tijd, enkelvoud
ontliep zich/u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
ontliep zich/u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
ontliepen je tweede persoon, verleden tijd, meervoud
ontliepen ons eerste persoon, verleden tijd, meervoud
ontliepen zich derde persoon, verleden tijd, meervoud
ontliept u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
ontliept u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
ontloop gebiedende wijs
ontloop me eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
ontloop u/je , ontloopt je gebiedende wijs
ontloopt je tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
ontloopt u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
ontloopt u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
ontloopt zich derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
ontloopt zich/u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
ontloopt zich/u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
ontlope aanvoegende wijs
ontlope zich aanvoegende wijs
ontlopen verleden tijd, deelwoord
ontlopen je tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
ontlopen ons eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
ontlopen te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
ontlopen te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
ontlopen te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
ontlopen te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
ontlopen te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
ontlopen worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
ontlopen zich derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
ontlopen zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
ontlopen zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
ontlopen zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
ontlopen zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
ontlopend onvoltooid, deelwoord
te ontlopen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zijn ontlopen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen ontlopen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart ontlopen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren ontlopen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren ontlopen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren ontlopen voltooid, verleden tijd, derde persoon
was ontlopen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was ontlopen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was ontlopen voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd ontlopen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd ontlopen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd ontlopen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden ontlopen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden ontlopen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden ontlopen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt ontlopen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word ontlopen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden ontlopen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden ontlopen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden ontlopen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt ontlopen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt ontlopen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal me ontlopen eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal ontlopen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal ontlopen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal ontlopen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal ontlopen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ontlopen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal ontlopen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ontlopen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal ontlopen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal zich ontlopen derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je ontlopen tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zich ontlopen hebben verleden tijd
zich ontlopend onvoltooid, deelwoord
zijn ontlopen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn ontlopen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn ontlopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn ontlopen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt ontlopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou ontlopen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou ontlopen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou ontlopen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou ontlopen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ontlopen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou ontlopen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ontlopen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ontlopen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ontlopen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden ontlopen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden ontlopen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden ontlopen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden ontlopen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden ontlopen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden ontlopen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden ontlopen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden ontlopen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden ontlopen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt ontlopen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt ontlopen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt ontlopen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen je ontlopen tweede persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen ons ontlopen eerste persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen ontlopen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen ontlopen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen ontlopen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen ontlopen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen ontlopen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen ontlopen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen ontlopen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen ontlopen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen ontlopen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen ontlopen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen zich ontlopen derde persoon, toekomende tijd, meervoud
zult ontlopen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult ontlopen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult ontlopen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult u ontlopen tweede persoon
zult u ontlopen tweede persoon, toekomende tijd, meervoud
zult zich/u ontlopen tweede persoon
zult zich/u ontlopen tweede persoon, toekomende tijd, meervoud

Herkomst

Afgeleid van lopen met het voorvoegsel ont-

Woordfamilie van ontlopen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
ontliep verleden tijd ontlopen
ontliepen aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon ontlopen
ontloop gebiedende wijs ontlopen
ontloopt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon ontlopen
ontlope aanvoegende wijs ontlopen
ontlopend onvoltooid deelwoord ontlopen
ontlopende woordvorm ontlopen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ontlopen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over ontlopen

Hoe spreek je ontlopen uit?
De uitspraak van ontlopen is: /ɔntˈlopə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd.
Wat betekent ontlopen?
Ontlopen is een werkwoord. Het woord betekent: een bepaald lot vermijden, ontkomen aan iets. Deze pagina beschrijft 2 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je ontlopen?
Je vervoegt ontlopen als volgt: de tegenwoordige tijd is ontloop, de verleden tijd is ontliep en het voltooid deelwoord is ontlopen. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op ontlopen?

Op ontlopen rijmen 35 woorden, onder andere lopen, verkopen en kopen. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Rijmwoorden op ontlopen, uitspraak ɔntˈlopən, de gangbaarste eerst.
Rijmwoord Lettergrepen
lopen 2
verkopen 3
kopen 2
hopen 2
open 2
afgelopen 4
bekopen 3
verlopen 3
slopen 2
overlopen 4
doorverkopen 4
tropen 2
nopen 2
onderlopen 4
hordelopen 4
bloeddoorlopen 4
overkopen 4
aangelopen 4
aangeslopen 4
boerenknopen 4
doorgelopen 4
geboortehoroscopen 7
gelopen 3
gesnopen 3
kinetoscopen 5
langeafstandslopen 6
mierenhopen 4
ontdopen 3
opgelopen 4
seismoscopen 4
seksbioscopen 5
stukgelopen 4
verzopen 3
weversknopen 4
zopen 2

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord ontlopen is 13 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. N 1
  3. T 2
  4. L 3
  5. O 1
  6. P 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 13 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

ontlopen levert met Wordfeud minimaal 14 en maximaal 66 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. N 1
  3. T 2
  4. L 3
  5. O 1
  6. P 4
  7. E 1
  8. N 1
  9. 14 zonder bonus
  10. 66 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

ontlopen in het kort

ontlopen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 2 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van ontlopen zijn 88 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort ontlopen bij een woordfamilie van 7 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

ontlopen: een bepaald lot vermijden, ontkomen aan iets
Deel ontlopen — standaardnederlands.nl