kruipen
werkwoord /'krʌʏ.pə(n)/Betekenis
- zich laag bij de grond, meest op handen en knieën gericht voortbewegen
- zich laag bij de grond, meest op handen en knieën ongericht voortbewegen
Hoe spreek je kruipen uit?
/ˈkrʌʏpən/
Kruipen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| r | rood |
| ʏ | put |
| p | pak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van kruipen
kruipenhele werkwoord — kroopverleden tijd enkelvoud — kropenverleden tijd meervoud — gekropenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | kruip | kroop |
| jij | kruipt | kroop |
| hij, zij, het | kruipt | kroop |
| wij | kruipen | kropen |
| jullie | kruipen | kropen |
| zij | kruipen | kropen |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gekropen | verleden tijd, deelwoord |
| gekropen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gekropen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gekropen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gekropen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gekropen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gekropen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gekropen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gekropen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gekropen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gekropen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gekropen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gekropen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gekropen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gekropen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gekropen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gekropen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gekropen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| kroop | verleden tijd |
| kruip | gebiedende wijs |
| kruipe | aanvoegende wijs |
| kruipend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gekropen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te kruipen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen kruipen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gekropen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gekropen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gekropen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal kruipen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal kruipen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal kruipen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gekropen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gekropen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gekropen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou kruipen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou kruipen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou kruipen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gekropen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gekropen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gekropen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden kruipen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden kruipen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden kruipen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gekropen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt kruipen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gekropen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gekropen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gekropen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen kruipen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen kruipen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen kruipen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen kruipen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gekropen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult kruipen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘zich op handen en voeten voortbewegen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
Woordfamilie van kruipen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gekropen | voltooid deelwoord | kruipen |
| kroop | verleden tijd | kruipen |
| kroopt | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, enkelvoud, 2e persoon | kruipen |
| kropen | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | kruipen |
| kruip | gebiedende wijs | kruipen |
| kruipe | aanvoegende wijs | kruipen |
| kruipt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | kruipen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kruipen zijn vastgelegd.