overlopen
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈovərˌlopə(n)Betekenis
- tot boven de rand van een vat of dijk gevuld raken.
- in de strijd van zijde wisselen.
- door een onverwacht aantal mensen bezocht worden.
Hoe spreek je overlopen uit?
/ˈovərˌlopən/
Overlopen bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| o | boot |
| v | vis |
| ə | de |
| r | rood |
| l | land |
| p | pak |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
werkwoord
- in elkaar overlopen: verdwijnen van grenzen
Vervoeging van overlopen
overlopenhele werkwoord — overgelopenvoltooid deelwoord
Alle 3 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| liep over | verleden tijd |
| overgelopen | verleden tijd, deelwoord |
| óverlopen | canonical |
Vervoeging van overlopen
overlopenhele werkwoord — overlopenvoltooid deelwoord
Alle 3 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| overliep | verleden tijd |
| overlopen | verleden tijd, deelwoord |
| overlópen | canonical |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord overloop
Herkomst
samenstelling van over bw en lopen ww
Woordfamilie van overlopen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| liep over | verleden tijd | overlopen |
| liepen over | woordvorm | overlopen |
| loop over | woordvorm | overlopen |
| loopt over | woordvorm | overlopen |
| lope over | woordvorm | overlopen |
| lopen over | woordvorm | overlopen |
| overgelopen | voltooid deelwoord | overlopen |
| overliep | verleden tijd | overlopen |
| overliepen | woordvorm | overlopen |
| overloopt | woordvorm | overlopen |
| overlope | with-subordinate-clause | overlopen |
| overlopend | woordvorm | overlopen |
| overlopende | woordvorm | overlopen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van overlopen zijn vastgelegd.