Naar de inhoud

hardlopen

met versnelde pas zich voortbewegen

hardlopen is meer dan één woord

hardlopen

werkwoord, zelfstandig naamwoord /'ɦɑrd.lo.pə(n)/

Betekenis

  1. met versnelde pas zich voortbewegen
  2. een sport waarbij men zich bekwaamt in het zich snel voortbewegen

Hoe spreek je hardlopen uit?

/ˈhɑrdlopən/

Hardlopen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈhɑrdlopən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
h hoed
ɑ bad
r rood
d dak
l land
o boot
p pak
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van hardlopen

hardlopenhele werkwoord — liep hardverleden tijd enkelvoud — liepen hardverleden tijd meervoud — hardgelopenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik loop hard liep hard
jij loopt hard liep hard
hij, zij, het loopt hard liep hard
wij lopen hard liepen hard
jullie lopen hard liepen hard
zij lopen hard liepen hard
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
had hardgelopen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had hardgelopen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had hardgelopen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden hardgelopen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden hardgelopen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden hardgelopen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt hardgelopen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hard te lopen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
hard te zullen lopen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
hard zal lopen bijzin, toekomende tijd
hard zou lopen bijzin, voorwaardelijk
hard zouden lopen bijzin, voorwaardelijk
hard zoudt lopen bijzin, voorwaardelijk
hard zullen lopen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
hard zullen lopen bijzin, toekomende tijd
hard zult lopen bijzin, toekomende tijd
hardgelopen verleden tijd, deelwoord
hardgelopen te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
hardgelopen zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
hardliep bijzin, verleden tijd
hardliepen bijzin, verleden tijd
hardloop bijzin, tegenwoordige tijd
hardloopt bijzin, tegenwoordige tijd
hardlopend onvoltooid, deelwoord
heb hardgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben hardgelopen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben hardgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben hardgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben hardgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt hardgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft hardgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft hardgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
liep hard verleden tijd
loop hard gebiedende wijs
te hebben hardgelopen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen hardlopen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal hardgelopen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal hardgelopen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal hardgelopen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal hardlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal hardlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal hardlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal hardlopen bijzin, toekomende tijd
zou hardgelopen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou hardgelopen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou hardgelopen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou hardlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou hardlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou hardlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou hardlopen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) hardlopen hard zou(dt) lopen bijzin, voorwaardelijk
zouden hardgelopen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden hardgelopen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden hardgelopen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden hardlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden hardlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden hardlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden hardlopen bijzin, voorwaardelijk
zoudt hardgelopen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt hardlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt hardlopen bijzin, voorwaardelijk
zullen hardgelopen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen hardgelopen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen hardgelopen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen hardlopen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen hardlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen hardlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen hardlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen hardlopen bijzin, toekomende tijd
zult hardgelopen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult hardlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult hardlopen bijzin, toekomende tijd
zult/zal hardlopen hard zult/zal lopen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van hard en lopen

Woordfamilie van hardlopen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
hardgelopen voltooid deelwoord hardlopen
hardliep subordinate-clause, verleden tijd hardlopen
hardliepen subordinate-clause, verleden tijd hardlopen
hardloop subordinate-clause, tegenwoordige tijd hardlopen
hardloopt subordinate-clause, tegenwoordige tijd hardlopen
hardlope with-subordinate-clause hardlopen
hardlopend onvoltooid deelwoord hardlopen
hardlopende woordvorm hardlopen
liep hard verleden tijd hardlopen
liepen hard aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon hardlopen
loop hard gebiedende wijs hardlopen
loopt hard aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon hardlopen
lope hard woordvorm hardlopen
lopen hard aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon hardlopen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van hardlopen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over hardlopen

Hoe spreek je hardlopen uit?
De uitspraak van hardlopen is: /'ɦɑrd.lo.pə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd.
Wat betekent hardlopen?
Hardlopen is een werkwoord. Het woord betekent: met versnelde pas zich voortbewegen. Deze pagina beschrijft 2 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je hardlopen?
Je vervoegt hardlopen als volgt: het voltooid deelwoord is hardgelopen. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord hardlopen is 18 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. H 4
  2. A 1
  3. R 2
  4. D 2
  5. L 3
  6. O 1
  7. P 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 18 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

hardlopen levert met Wordfeud minimaal 19 en maximaal 81 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. H 4
  2. A 1
  3. R 2
  4. D 2
  5. L 3
  6. O 1
  7. P 4
  8. E 1
  9. N 1
  10. 19 zonder bonus
  11. 81 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (H) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

hardlopen in het kort

hardlopen is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Welke van de twee het is, hangt af van de zin. Hierboven staan 2 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van hardlopen zijn 45 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort hardlopen bij een woordfamilie van 14 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

hardlopen: met versnelde pas zich voortbewegen
Deel hardlopen — standaardnederlands.nl