marcheren
werkwoordBetekenis
- lopen in een georganiseerde en uniforme ritmische stoet
- ergens heen lopen in een georganiseerde en uniforme ritmische stoet
Vervoeging van marcheren
marcherenhele werkwoord — marcheerdeverleden tijd enkelvoud — marcheerdenverleden tijd meervoud — gemarcheerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | marcheer | marcheerde |
| jij | marcheert | marcheerde |
| hij, zij, het | marcheert | marcheerde |
| wij | marcheren | marcheerden |
| jullie | marcheren | marcheerden |
| zij | marcheren | marcheerden |
Alle 36 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gemarcheerd | impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon, voltooid |
| er was gemarcheerd | impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, derde persoon, voltooid |
| er werd gemarcheerd | impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er wordt gemarcheerd | impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er zal gemarcheerd worden | impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er zal gemarcheerd zijn | impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, derde persoon, voltooid |
| er zou gemarcheerd worden | impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon, onvoltooid |
| er zou gemarcheerd zijn | impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, derde persoon, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gemarcheerd | verleden tijd, deelwoord |
| gemarcheerd te zullen hebben/zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gemarcheerd zullen hebben/zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| hebben gemarcheerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| marcheer | gebiedende wijs |
| marcheerde | verleden tijd |
| marchere | aanvoegende wijs |
| marcherend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben/zijn gemarcheerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te marcheren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen marcheren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal marcheren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal marcheren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal marcheren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gemarcheerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zou marcheren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou marcheren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou marcheren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden marcheren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden marcheren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden marcheren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt marcheren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen marcheren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen marcheren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen marcheren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen marcheren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult marcheren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘in ritmische pas gaan’ voor het eerst aangetroffen in 1588
Woordfamilie van marcheren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gemarcheerd | voltooid deelwoord | marcheren |
| gemarcheerde | woordvorm | marcheren |
| marcheer | gebiedende wijs | marcheren |
| marcheerde | verleden tijd | marcheren |
| marcheerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | marcheren |
| marcheert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | marcheren |
| marchere | aanvoegende wijs | marcheren |
| marcherend | onvoltooid deelwoord | marcheren |
| marcherende | woordvorm | marcheren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van marcheren zijn vastgelegd.