Naar de inhoud

marcheren

lopen in een georganiseerde en uniforme ritmische stoet

marcheren

werkwoord

Betekenis

  1. lopen in een georganiseerde en uniforme ritmische stoet
  2. ergens heen lopen in een georganiseerde en uniforme ritmische stoet

Vervoeging van marcheren

marcherenhele werkwoord — marcheerdeverleden tijd enkelvoud — marcheerdenverleden tijd meervoud — gemarcheerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik marcheer marcheerde
jij marcheert marcheerde
hij, zij, het marcheert marcheerde
wij marcheren marcheerden
jullie marcheren marcheerden
zij marcheren marcheerden
Alle 36 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
er is gemarcheerd impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon, voltooid
er was gemarcheerd impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, derde persoon, voltooid
er werd gemarcheerd impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, eerste persoon, onvoltooid
er wordt gemarcheerd impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon, onvoltooid
er zal gemarcheerd worden impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, eerste persoon, onvoltooid
er zal gemarcheerd zijn impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, derde persoon, voltooid
er zou gemarcheerd worden impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon, onvoltooid
er zou gemarcheerd zijn impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, derde persoon, voltooid
ev. gebiedende wijs
gemarcheerd verleden tijd, deelwoord
gemarcheerd te zullen hebben/zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gemarcheerd zullen hebben/zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
hebben gemarcheerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
marcheer gebiedende wijs
marcheerde verleden tijd
marchere aanvoegende wijs
marcherend onvoltooid, deelwoord
te hebben/zijn gemarcheerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te marcheren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen marcheren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal marcheren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal marcheren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal marcheren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn gemarcheerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zou marcheren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou marcheren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou marcheren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden marcheren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden marcheren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden marcheren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt marcheren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen marcheren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen marcheren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen marcheren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen marcheren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult marcheren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘in ritmische pas gaan’ voor het eerst aangetroffen in 1588

Woordfamilie van marcheren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gemarcheerd voltooid deelwoord marcheren
gemarcheerde woordvorm marcheren
marcheer gebiedende wijs marcheren
marcheerde verleden tijd marcheren
marcheerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon marcheren
marcheert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon marcheren
marchere aanvoegende wijs marcheren
marcherend onvoltooid deelwoord marcheren
marcherende woordvorm marcheren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van marcheren zijn vastgelegd.

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over marcheren

Wat is de betekenis van marcheren?
Marcheren is een werkwoord. De betekenis is: lopen in een georganiseerde en uniforme ritmische stoet. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik marcheren?
Zo vervoeg je marcheren zo: de tegenwoordige tijd is marcheer, de verleden tijd is marcheerde en het voltooid deelwoord is gemarcheerd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord marcheren is 20 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. M 3
  2. A 1
  3. R 2
  4. C 5
  5. H 4
  6. E 1
  7. R 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 20 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

marcheren levert met Wordfeud minimaal 20 en maximaal 90 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. M 3
  2. A 1
  3. R 2
  4. C 5
  5. H 4
  6. E 1
  7. R 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 20 zonder bonus
  11. 90 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

marcheren in het kort

marcheren staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van marcheren staan er 29 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort marcheren bij een woordfamilie van 9 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

marcheren: lopen in een georganiseerde en uniforme ritmische stoet
Deel marcheren — standaardnederlands.nl