laveren
werkwoordBetekenis
- bij tegenwind zigzagswijze opzeilen
- zigzagswijze ergens heengaan
- wassen van een schilderij of tekening waardoor een bewuste menging van de kleuren optreedt
- schipperen, moeilijkheden omzeilen
werkwoord
- bij tegenwind zigzagsgewijs opzeilen unergative
- zigzagsgewijs ergens heengaan ergative
- wassen van een schilderij of tekening, waardoor de kleuren doelbewust worden gemengd
- bepaalde dilemma's of moeilijkheden trachten te omzeilen door het ene belang af te wegen tegen het andere, schipperen [2] figuratively
Vervoeging van laveren
laverenhele werkwoord — laveerdeverleden tijd enkelvoud — laveerdenverleden tijd meervoud — gelaveerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | laveer | laveerde |
| jij | laveert | laveerde |
| hij, zij, het | laveert | laveerde |
| wij | laveren | laveerden |
| jullie | laveren | laveerden |
| zij | laveren | laveerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gelaveerd | verleden tijd, deelwoord |
| gelaveerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gelaveerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gelaveerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gelaveerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gelaveerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gelaveerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gelaveerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gelaveerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gelaveerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gelaveerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gelaveerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gelaveerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gelaveerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gelaveerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gelaveerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gelaveerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gelaveerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| laveer | gebiedende wijs |
| laveerde | verleden tijd |
| lavere | aanvoegende wijs |
| laverend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gelaveerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te laveren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen laveren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gelaveerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gelaveerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gelaveerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal laveren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal laveren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal laveren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gelaveerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gelaveerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gelaveerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou laveren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou laveren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou laveren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gelaveerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gelaveerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gelaveerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden laveren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden laveren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden laveren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gelaveerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt laveren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gelaveerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gelaveerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gelaveerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen laveren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen laveren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen laveren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen laveren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gelaveerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult laveren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘telkens aan de wind overstag gaan’ voor het eerst aangetroffen in 1384
Woordfamilie van laveren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gelaveerd | voltooid deelwoord | laveren |
| gelaveerde | woordvorm | laveren |
| laveer | gebiedende wijs | laveren |
| laveerde | verleden tijd | laveren |
| laveerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | laveren |
| laveert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | laveren |
| lavere | aanvoegende wijs | laveren |
| laverend | onvoltooid deelwoord | laveren |
| laverende | woordvorm | laveren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van laveren zijn vastgelegd.