schoffelen
werkwoordBetekenis
- onkruid verwijderen met een schoffel
Vervoeging van schoffelen
schoffelenhele werkwoord — schoffeldeverleden tijd enkelvoud — schoffeldenverleden tijd meervoud — geschoffeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | schoffel | schoffelde |
| jij | schoffelt | schoffelde |
| hij, zij, het | schoffelt | schoffelde |
| wij | schoffelen | schoffelden |
| jullie | schoffelen | schoffelden |
| zij | schoffelen | schoffelden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is geschoffeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geschoffeld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geschoffeld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geschoffeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geschoffeld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geschoffeld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geschoffeld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geschoffeld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geschoffeld | verleden tijd, deelwoord |
| geschoffeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geschoffeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geschoffeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geschoffeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geschoffeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geschoffeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geschoffeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geschoffeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geschoffeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geschoffeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geschoffeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geschoffeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geschoffeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geschoffeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geschoffeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geschoffeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geschoffeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| schoffel | gebiedende wijs |
| schoffelde | verleden tijd |
| schoffele | aanvoegende wijs |
| schoffelend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geschoffeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te schoffelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen schoffelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geschoffeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geschoffeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geschoffeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal schoffelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal schoffelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal schoffelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geschoffeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geschoffeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geschoffeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou schoffelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou schoffelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou schoffelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geschoffeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geschoffeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geschoffeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden schoffelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden schoffelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden schoffelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geschoffeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt schoffelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geschoffeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geschoffeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geschoffeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen schoffelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen schoffelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen schoffelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen schoffelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geschoffeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult schoffelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van schoffel met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van schoffelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geschoffeld | voltooid deelwoord | schoffelen |
| geschoffelde | woordvorm | schoffelen |
| schoffelde | verleden tijd | schoffelen |
| schoffelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | schoffelen |
| schoffele | aanvoegende wijs | schoffelen |
| schoffelend | onvoltooid deelwoord | schoffelen |
| schoffelende | woordvorm | schoffelen |
| schoffelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | schoffelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schoffelen zijn vastgelegd.