hotel
zelfstandig naamwoord hoˈtɛlBetekenis
- gebouw waar men tegen betaling kan eten en overnachten, meestal grootschaliger, duurder en luxueuzer dan bijv. een herberg of hostel
- spelwoord van het ITU/NAVO-spellingalfabet voor de letter h
- hotel
Hoe spreek je hotel uit?
/hoˈtɛl/
Hotel bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| h | hoed |
| o | boot |
| t | tak |
| ɛ | bed |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — neuter
- tijdelijk onderkomen voor (huis)dieren, als bijv. de eigenaars eigen tijd weg zijn; dierenpension
- gebouw v.e. gezantschap obsolete
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| hotelletje | verkleinwoord, enkelvoud |
| hotelletjes | verkleinwoord, meervoud |
| hotels | meervoud |
Herkomst
Van het Franse hôtel, in de betekenis van ‘logement’ voor het eerst aangetroffen in 1855
Woordfamilie van hotel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| hotelletje | verkleinwoord | hotel |
| hotelletjes | verkleinwoord meervoud | hotel |
| hotels | meervoud | hotel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van hotel zijn vastgelegd.