el
zelfstandig naamwoord ɛlBetekenis
- een oude lengtemaat gebaseerd op de lengte van de menselijke ellepijp, gewoonlijk 60 à 70 centimeter
- de, het
- hem, het (lijdend voorwerp, vóór het werkwoord)
- derde persoon enkelvoud: hij
- hand
Hoe spreek je el uit?
/ɛl/
El bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɛ | bed |
| l | land |
Klinkt hetzelfde als ijl.
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ellen | meervoud |
| elletje | verkleinwoord, enkelvoud |
| elletjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
erfwoord in de betekenis van ‘lengtemaat’ uit Germaans *alinō-, *alīnō- ‘elleboog’ (vergelijk Gotisch aleina, Engels ell, Duits Elle), voor het eerst aangetroffen in het jaar 1277
Woordfamilie van el
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ellen | meervoud | el |
| elletje | verkleinwoord | el |
| elletjes | verkleinwoord meervoud | el |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van el zijn vastgelegd.