bel
zelfstandig naamwoord, werkwoord bɛlBetekenis
- klok, schel, zoemer
- Falkenschelle
- rond ornament dat op het lichaam aangebracht wordt; oorbel
- grote hoeveelheid gas in de bodem
- groot glas
- een rond, schaalvormig metalen voorwerp in de vorm van een klok of halve bol al dan niet met klepel, bedoeld om een muzikale klank voort te brengen ter oproep of ten teken
- onverzorgd ogende, onaantrekkelijke vrouw (nog gangbaar als tweede deel samenstellingen)
- klokje
- lel, bijvoorbeeld aan de keel van een kalkoen
- bellen, aanbellen aan een deur
- bellen, opbellen per telefoon
- (eenheid van geluidsintensiteit)
- deurbel
- bel (eenheid van geluidsintensiteit)
- ruimte
- tussenruimte
- poos, tijdje
- tijdruimte
- tijd, tijdstip
- bellen, aanbellen
- opbellen
- bel
- (met een andere uitspraak dan op Curaçao) dij, dijbeen
- eenheid van geluidsintensiteit
Hoe spreek je bel uit?
/bɛl/
Bel bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ɛ | bed |
| l | land |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- luchtblaas in water, zeepbel
- onverzorgd ogende, onaantrekkelijke vrouw obsolete
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bellen | meervoud |
| belletje | verkleinwoord, enkelvoud |
| belletjes | verkleinwoord, meervoud |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| belletje | verkleinwoord, enkelvoud |
| belletjes | verkleinwoord, meervoud |
| bels | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bellen
- gebiedende wijs van bellen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bellen
Vervoeging van bel
belhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘een schel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1236
Woordfamilie van bel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bels | meervoud | bel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bel zijn vastgelegd.