hoteleigenaar
zelfstandig naamwoordBetekenis
- de bezitter van een overnachtingsplaats voor toeristen
- hotelexploitant
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| hoteleigenaars | meervoud |
| hoteleigenaartje | verkleinwoord, enkelvoud |
| hoteleigenaartjes | verkleinwoord, meervoud |
| hoteleigenaren | meervoud |
Herkomst
samenstelling van hotel en eigenaar
Woordfamilie van hoteleigenaar
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| hoteleigenaars | meervoud | hoteleigenaar |
| hoteleigenaartje | verkleinwoord | hoteleigenaar |
| hoteleigenaartjes | verkleinwoord meervoud | hoteleigenaar |
| hoteleigenaren | meervoud | hoteleigenaar |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van hoteleigenaar zijn vastgelegd.