herberg
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈhɛrbɛrᵊxBetekenis
- eet- en overnachtingsgelegenheid die kleiner, goedkoper en eenvoudiger is dan een hotel
Hoe spreek je herberg uit?
/ˈhɛrbɛrəx/
Herberg bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| h | hoed |
| ɛ | bed |
| r | rood |
| b | bak |
| ə | de |
| x | acht |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| herbergen | meervoud |
| herbergje | verkleinwoord, enkelvoud |
| herbergjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van herbergen
- gebiedende wijs van herbergen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van herbergen
Vervoeging van herberg
herberghele werkwoord
Herkomst
erfwoord via Middelnederlands herberghe van Oudnederlands heriberga in de betekenis "legerkamp" aangetroffen vanaf de 8e eeuw, in de betekenis "tijdelijke verblijfplaats" rond 1100 en in de betekenis van ‘logement’ aangetroffen vanaf 1220 Oorspronkelijk een samenstelling van heer (leger) en bergen, dus "een plaats waar een leger geborgen wordt". Verwant met het Engelse harbour of harbor. "Heer" in de betekenis van leger vindt men ook terug in hertog (legerleider), heerweg of heirbaan (legerweg), en heerman (soldaat).
Woordfamilie van herberg
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| herbergje | verkleinwoord | herberg |
| herbergjes | verkleinwoord meervoud | herberg |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van herberg zijn vastgelegd.