bestel
zelfstandig naamwoord, werkwoord /bəˈstɛl/Betekenis
- een organisatie die als systeem een bepaald doel op een bepaalde manier dient
Hoe spreek je bestel uit?
/bəˈstɛl/
Bestel bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ə | de |
| s | sok |
| t | tak |
| ɛ | bed |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bestellen | meervoud |
| bestelletje | verkleinwoord, enkelvoud |
| bestelletjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bestellen
- gebiedende wijs van bestellen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bestellen
Vervoeging van bestel
bestelhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘ordening, regeling’ voor het eerst aangetroffen in 1350
Woordfamilie van bestel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bestelletje | verkleinwoord | bestel |
| bestelletjes | verkleinwoord meervoud | bestel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bestel zijn vastgelegd.