duel
zelfstandig naamwoord dyˈwɛlBetekenis
- een gevecht tussen twee personen, gewoonlijk onder bepaalde regels
- duel wedstrijd tussen twee personen of twee ploegen
- duelleren
Hoe spreek je duel uit?
/dyˈwɛl/
Duel bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| d | dak |
| y | fuut |
| w | quiz |
| ɛ | bed |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| duellen | meervoud |
| duelletje | verkleinwoord, enkelvoud |
| duelletjes | verkleinwoord, meervoud |
| duels | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘tweegevecht’ voor het eerst aangetroffen in 1636
Woordfamilie van duel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| duellen | meervoud | duel |
| duelletje | verkleinwoord | duel |
| duelletjes | verkleinwoord meervoud | duel |
| duels | meervoud | duel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van duel zijn vastgelegd.