kapel
zelfstandig naamwoord kaˈpɛlBetekenis
- klein kerkgebouw
- plaats in een gebouw of kerk voor speciale aanbiddingen
- dagvlinder
Hoe spreek je kapel uit?
/kaˈpɛl/
Kapel bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| a | maan |
| p | pak |
| ɛ | bed |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- muziekgezelschap eigenlijk als onderdeel van een grotere organisatie, maar ook wel gebruikt voor zelfstandige orkesten
- benaming voor nectar etende insecten uit de orde Lepidoptera, met vier vaak gekleurde vleugels, bedekt met heel kleine schubben obsolete
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kapellen | meervoud |
| kapelletje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kapelletjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
[1], [2]: via Middelnederlands capelle en Oudnederlands kapella van Latijn capella, verkleinwoord van cappa "mantel", een verwijzing naar de mantel van Sint-Maarten van Tours, die als belangrijke reliek werd vereerd in een speciaal bidvertrek: na verloop van tijd werden dit soort ruimtes metonymisch ook zo aangeduid; in de betekenis van ‘bedehuisje’ voor het eerst aangetroffen in 1102
Woordfamilie van kapel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kapellen | meervoud | kapel |
| kapelletje | verkleinwoord | kapel |
| kapelletjes | verkleinwoord meervoud | kapel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kapel zijn vastgelegd.