parallel
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord parɑˈlɛlBetekenis
- een cirkel op het aardoppervlak waarop alle punten met gelijke geografische breedte (noord of zuid) liggen, breedtecirkel
- lijn die of vlak dat evenwijdig loopt met een andere lijn of een ander vlak
- iets dat grote overeenkomst met iets anders heeft
- een traject dat vanuit een gegeven startpunt uitkomt op hetzelfde eindpunt b.v parallelschakeling, parallelweg
- evenwijdig
- overeenkomend, vergelijkbaar
- zich zo bewegend dat de interval dezelfde blijft
- naast en onafhankelijk van elkaar liggend
Hoe spreek je parallel uit?
/parɑˈlɛl/
Parallel bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| a | maan |
| r | rood |
| ɑ | bad |
| l | land |
| ɛ | bed |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| parallellen | meervoud |
| parallelletje | verkleinwoord, enkelvoud |
| parallelletjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘evenwijdig’ voor het eerst aangetroffen in 1596
Woordfamilie van parallel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| parallelle | woordvorm | parallel |
| parallellen | meervoud | parallel |
| paralleller | woordvorm | parallel |
| parallellere | woordvorm | parallel |
| parallellers | woordvorm | parallel |
| parallelletje | verkleinwoord | parallel |
| parallelletjes | verkleinwoord meervoud | parallel |
| parallels | woordvorm | parallel |
| parallelst | woordvorm | parallel |
| parallelste | woordvorm | parallel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van parallel zijn vastgelegd.