spel
zelfstandig naamwoord, werkwoord spɛlBetekenis
- een bezigheid ter ontspanning volgens vaste regels met elementen als competitie, behendigheid, inzicht en kans
Hoe spreek je spel uit?
/spɛl/
Spel bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| p | pak |
| ɛ | bed |
| l | land |
zelfstandig naamwoord — neuter
- bezigheid ter ontspanning volgens vaste regels met elementen als competitie, behendigheid, inzicht en kans
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| spelen | meervoud |
| spellen | meervoud |
| spelletje | verkleinwoord, enkelvoud |
| spelletjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van spellen
- gebiedende wijs van spellen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van spellen
Vervoeging van spel
spelhele werkwoord
Herkomst
erfwoord, via Middelnederlands spel van Oudnederlands spil, in de betekenis van ‘ontspanning’ aangetroffen vanaf 951
Woordfamilie van spel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| spelletje | verkleinwoord | spel |
| spelletjes | verkleinwoord meervoud | spel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van spel zijn vastgelegd.