hel
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord, werkwoord /'ɦɛl/Betekenis
- (christendom, islam) toestand van straf en afwezigheid van God waar de zielen van verstokt zondige, verdoemde mensen zich na de dood in bevinden
- verschrikkelijke plek of toestand
- doordringend en helder van toon (van geluiden)
- intensief licht uitstralend (van kleuren etc.)
- heel, onbeschadigd
- puur, ongemengd, heel
- compleet, volledig, heel
- geheel
- geel
- helium
Hoe spreek je hel uit?
/ˈhɛl/
Hel bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| h | hoed |
| ɛ | bed |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- toestand van straf en afwezigheid van God waar de zielen van verstokt zondige, verdoemde mensen zich na de dood in bevinden
- de onderwereld of toestand van de zielen van alle gestorvenen vóór de verlossing van Christus, die verstoken waren van het zicht van God #:*Die nedergedaald is ter helle, de derde dag verrezen uit de doden.
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hellen
- gebiedende wijs van hellen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hellen
Vervoeging van hel
helhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘onderwereld’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901
Woordfamilie van hel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| heller | woordvorm | hel |
| hellere | woordvorm | hel |
| hellers | woordvorm | hel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van hel zijn vastgelegd.