wel
bijwoord, tussenwerpsel, zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord, werkwoord /ʋɛl/Betekenis
- een ontkenning weerleggend, vaak geschreven met accentteken
- een toegeving makend; weliswaar
- een grote hoeveelheid van iets benadrukkend, waarbij tegelijk verbazing en/of verwondering wordt uitgedrukt
- bevestiging zoekend voor iets onzekers
- bevestiging zoekend voor iets dat min of meer vaststaat, iets veronderstellend
- goed, gunstig
- uitdrukking van verbazing
- gebruikt om iets in te leiden of nader te verduidelijken; welnu
- een plaats waar water uit de grond tevoorschijn komt
- gezond, in orde
- wie
Hoe spreek je wel uit?
/wɛl/
Wel bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| w | quiz |
| ɛ | bed |
| l | land |
bijwoord
- bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord, goed, gunstig obsolete
Verbuiging en vervoeging (bijwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| wèl | |
| wél |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wellen
- gebiedende wijs van wellen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wellen
Vervoeging van wel
welhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘bron’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1001
Woordfamilie van wel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| welletje | woordvorm | wel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van wel zijn vastgelegd.