hotdog
zelfstandig naamwoordBetekenis
- langwerpig broodje met een warm worstje erin meestal geserveerd met tomatenketchup of mosterd en mayonaise eventueel ook met zuurkool, relish, uitjes of chili
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| hotdogs | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘broodje knakworst’ voor het eerst aangetroffen in 1951
Woordfamilie van hotdog
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| hotdogs | meervoud | hotdog |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van hotdog zijn vastgelegd.