deken
zelfstandig naamwoord ˈdekə(n)Betekenis
- een (vaak dikke) doek, met de functie om iemand te bedekken en daarmee warm te houden (tijdens de slaap)
- (advocatuur) voorzitter van de Nederlandse orde van advocaten
- een kerkelijk of academisch ambt en territoriale eenheid
- hoofd van een decanaat
Hoe spreek je deken uit?
/ˈdekən/
Deken bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| d | dak |
| e | veel |
| k | kat |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord
- een allesbedekkende laag figuratively
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| dekens | enkelvoud |
| dekentje | verkleinwoord |
| dekentjes | verkleinwoord, enkelvoud |
zelfstandig naamwoord — masculine
- voorzitter van de Nederlandse orde van advocaten
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| [B] | canonical |
| dekens | enkelvoud |
| dekentje | verkleinwoord |
| dekentjes | verkleinwoord, enkelvoud |
Woordfamilie van deken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| dekens | enkelvoud | deken |
| dekentje | verkleinwoord | deken |
| dekentjes | verkleinwoord | deken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van deken zijn vastgelegd.