Naar de inhoud

spelen

recreatief of ontspannend bezig zijn

spelen is meer dan één woord

spelen

werkwoord, zelfstandig naamwoord /ˈspeːlə(n)/

Betekenis

  1. recreatief of ontspannend bezig zijn
  2. muziek maken op een muziekinstrument

Hoe spreek je spelen uit?

/ˈspelən/

Spelen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈspelən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
s sok
p pak
e veel
l land
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

werkwoord

  1. recreatief en/of ontspannend bezig zijn intransitive
  2. niet serieus bezig zijn intransitive
  3. ~ met onvoorzichtig/ondoordacht/onbezonnen omgaan met iets kostbaars intransitive
  4. met zichzelf ~ masturberen
  5. invulling geven aan een rol [3] transitive
  6. het vervullen van een functie

Vervoeging van spelen

spelenhele werkwoord — speeldeverleden tijd enkelvoud — speeldenverleden tijd meervoud — gespeeldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik speel speelde
jij speelt speelde
hij, zij, het speelt speelde
wij spelen speelden
jullie spelen speelden
zij spelen speelden
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
er is gespeeld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gespeeld impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gespeeld impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gespeeld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gespeeld worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gespeeld zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gespeeld worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gespeeld zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gespeeld verleden tijd, deelwoord
gespeeld te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gespeeld zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gespeeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gespeeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gespeeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gespeeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gespeeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gespeeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gespeeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gespeeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
speel gebiedende wijs
speelde verleden tijd
spele aanvoegende wijs
spelend onvoltooid, deelwoord
te hebben gespeeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te spelen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen spelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal gespeeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gespeeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gespeeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal spelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal spelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal spelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zou gespeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gespeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gespeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou spelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou spelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou spelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gespeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gespeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gespeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden spelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden spelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden spelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gespeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt spelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gespeeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gespeeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gespeeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen spelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen spelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen spelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen spelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gespeeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult spelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord spel

Herkomst

In de betekenis van ‘zich vermaken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1236

Woordfamilie van spelen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
speel gebiedende wijs spelen
speelde verleden tijd spelen
speelden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon spelen
speelt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon spelen
spele aanvoegende wijs spelen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van spelen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over spelen

Hoe spreek je spelen uit?
De uitspraak van spelen is: /ˈspeːlə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd. Het teken ˈ geeft de klemtoon aan: de nadruk valt op de eerste lettergreep.
Wat betekent spelen?
Spelen is een werkwoord. Het woord betekent: recreatief of ontspannend bezig zijn. Deze pagina beschrijft 8 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je spelen?
Je vervoegt spelen als volgt: de tegenwoordige tijd is speel, de verleden tijd is speelde en het voltooid deelwoord is gespeeld. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op spelen?

Er staan 37 woorden in dit woordenboek die op spelen rijmen, waaronder vervelen, stelen en mededelen. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Rijmwoorden op spelen, uitspraak ˈspelən, de gangbaarste eerst.
Rijmwoord Lettergrepen
vervelen 3
stelen 2
mededelen 4
bespelen 3
aanbevelen 4
delen 2
velen 2
schelen 2
bevelen 3
helen 2
juwelen 3
mailen 2
melen 2
openstellen 4
onderverdelen 5
wereldspelen 4
verhelen 3
gelijkspelen 4
overspelen 4
allelen 3
bekkenelen 4
bikkelspelen 4
camelen 3
commerciëlen 4
croquetspelen 4
deelen 2
ghazelen 3
lintelen 3
misdelen 3
onderdelen 4
reserveonderdelen 7
sapioseksuelen 7
sequelen 3
spornoseksuelen 6
tegenspelen 4
volkstonelen 5
welen 2

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord spelen is 11 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. S 2
  2. P 3
  3. E 1
  4. L 3
  5. E 1
  6. N 1
  7. 11 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

spelen levert met Wordfeud minimaal 12 en maximaal 60 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. S 2
  2. P 4
  3. E 1
  4. L 3
  5. E 1
  6. N 1
  7. 12 zonder bonus
  8. 60 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

spelen telt 6 letters, waarvan 5 verschillende, want één letter komt er dubbel in voor. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 13.213 woorden van 6 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

spelen in het kort

spelen is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Welke van de twee het is, hangt af van de zin. Hierboven staan 8 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van spelen zijn 40 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort spelen bij een woordfamilie van 5 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

spelen: recreatief of ontspannend bezig zijn
Deel spelen — standaardnederlands.nl