spelen
werkwoord, zelfstandig naamwoord /ˈspeːlə(n)/Betekenis
- recreatief of ontspannend bezig zijn
- muziek maken op een muziekinstrument
Hoe spreek je spelen uit?
/ˈspelən/
Spelen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| p | pak |
| e | veel |
| l | land |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- recreatief en/of ontspannend bezig zijn intransitive
- niet serieus bezig zijn intransitive
- ~ met onvoorzichtig/ondoordacht/onbezonnen omgaan met iets kostbaars intransitive
- met zichzelf ~ masturberen
- invulling geven aan een rol [3] transitive
- het vervullen van een functie
Vervoeging van spelen
spelenhele werkwoord — speeldeverleden tijd enkelvoud — speeldenverleden tijd meervoud — gespeeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | speel | speelde |
| jij | speelt | speelde |
| hij, zij, het | speelt | speelde |
| wij | spelen | speelden |
| jullie | spelen | speelden |
| zij | spelen | speelden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gespeeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gespeeld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gespeeld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gespeeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gespeeld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gespeeld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gespeeld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gespeeld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gespeeld | verleden tijd, deelwoord |
| gespeeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gespeeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gespeeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gespeeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gespeeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gespeeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gespeeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gespeeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gespeeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gespeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gespeeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gespeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gespeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gespeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gespeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gespeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gespeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| speel | gebiedende wijs |
| speelde | verleden tijd |
| spele | aanvoegende wijs |
| spelend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gespeeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te spelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen spelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gespeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gespeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gespeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal spelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal spelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal spelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gespeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gespeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gespeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou spelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou spelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou spelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gespeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gespeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gespeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden spelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden spelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden spelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gespeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt spelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gespeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gespeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gespeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen spelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen spelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen spelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen spelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gespeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult spelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord spel
Herkomst
In de betekenis van ‘zich vermaken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1236
Woordfamilie van spelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| speel | gebiedende wijs | spelen |
| speelde | verleden tijd | spelen |
| speelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | spelen |
| speelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | spelen |
| spele | aanvoegende wijs | spelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van spelen zijn vastgelegd.