Naar de inhoud

dobbelen

het spelen van een kansspel door het werpen van dobbelstenen, vaak om geld

dobbelen

werkwoord ˈdɔbələ(n)

Betekenis

  1. het spelen van een kansspel door het werpen van dobbelstenen, vaak om geld
  2. gepaard zijn, een paar vormen

Hoe spreek je dobbelen uit?

/ˈdɔbələn/

Dobbelen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈdɔbələn/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
d dak
ɔ bot
b bak
ə de
l land
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van dobbelen

dobbelenhele werkwoord — dobbeldeverleden tijd enkelvoud — dobbeldenverleden tijd meervoud — gedobbeldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik dobbel dobbelde
jij dobbelt dobbelde
hij, zij, het dobbelt dobbelde
wij dobbelen dobbelden
jullie dobbelen dobbelden
zij dobbelen dobbelden
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
dobbel gebiedende wijs
dobbelde verleden tijd
dobbele aanvoegende wijs
dobbelend onvoltooid, deelwoord
er is gedobbeld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gedobbeld impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gedobbeld impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gedobbeld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gedobbeld worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gedobbeld zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gedobbeld worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gedobbeld zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gedobbeld verleden tijd, deelwoord
gedobbeld te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gedobbeld zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gedobbeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gedobbeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gedobbeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gedobbeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gedobbeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gedobbeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gedobbeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gedobbeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gedobbeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gedobbeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gedobbeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gedobbeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gedobbeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gedobbeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gedobbeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te dobbelen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben gedobbeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen dobbelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal dobbelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal dobbelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal dobbelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal gedobbeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gedobbeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gedobbeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zou dobbelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou dobbelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou dobbelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou gedobbeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gedobbeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gedobbeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden dobbelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden dobbelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden dobbelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden gedobbeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gedobbeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gedobbeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt dobbelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt gedobbeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen dobbelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen dobbelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen dobbelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen dobbelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen gedobbeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gedobbeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gedobbeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult dobbelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult gedobbeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

[1] van Middelnederlands dobbelen dat teruggaat op Oudfrans doble "dubbel" of dobler "verdubbelen", wat kan slaan op het spelen met twee dobbelsteen, met beide stenen hetzelfde aantal ogen werpen of het tweemaal zo groot maken van de inzet, in de betekenis van ‘met dobbelstenen werpen’ voor het eerst aangetroffen in 1324; op te vatten als afgeleid van dobbel zn met het achtervoegsel -en

Woordfamilie van dobbelen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
dobbel gebiedende wijs dobbelen
dobbelde verleden tijd dobbelen
dobbelden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon dobbelen
dobbele aanvoegende wijs dobbelen
dobbelend onvoltooid deelwoord dobbelen
dobbelende woordvorm dobbelen
dobbelt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon dobbelen
gedobbeld voltooid deelwoord dobbelen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van dobbelen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over dobbelen

Hoe spreek ik dobbelen uit?
Zo spreek je dobbelen uit: /ˈdɔbələ(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van dobbelen?
Dobbelen is een werkwoord. De betekenis is: het spelen van een kansspel door het werpen van dobbelstenen, vaak om geld. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik dobbelen?
Zo vervoeg je dobbelen zo: de tegenwoordige tijd is dobbel, de verleden tijd is dobbelde en het voltooid deelwoord is gedobbeld. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord dobbelen is 15 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. D 2
  2. O 1
  3. B 3
  4. B 3
  5. E 1
  6. L 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 15 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

dobbelen levert met Wordfeud minimaal 17 en maximaal 75 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. D 2
  2. O 1
  3. B 4
  4. B 4
  5. E 1
  6. L 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 17 zonder bonus
  10. 75 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (B) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

dobbelen in het kort

dobbelen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van dobbelen staan er 40 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort dobbelen bij een woordfamilie van 8 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

dobbelen: het spelen van een kansspel door het werpen van dobbelstenen, vaak om geld
Deel dobbelen — standaardnederlands.nl