puzzel
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈpʏzəlBetekenis
- raadsel of moeilijke opgave die men als tijdverdrijf probeert op te lossen
- moeilijkheid op te lossen vraagstuk
Hoe spreek je puzzel uit?
/ˈpʏzəl/
Puzzel bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| ʏ | put |
| z | zon |
| ə | de |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| puzzels | meervoud |
| puzzeltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| puzzeltjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van puzzelen
- gebiedende wijs van puzzelen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van puzzelen
Vervoeging van puzzel
puzzelhele werkwoord
Herkomst
van Engels puzzle zn , in de betekenis van ‘raadsel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1895
Woordfamilie van puzzel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| puzzels | meervoud | puzzel |
| puzzeltje | verkleinwoord | puzzel |
| puzzeltjes | verkleinwoord meervoud | puzzel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van puzzel zijn vastgelegd.