spoor
zelfstandig naamwoord, werkwoord sporBetekenis
- twee met elkaar verbonden ijzeren staven waarover een trein of tram rijdt
- spoorwegmaatschappij
- vooraf gemaakte doorgang door een verder ongebaand terrein (ook fig.)
- afdruk
- deel van een magneetband waarop de informatie van één kanaal is vastgelegd
- afstand tussen twee op dezelfde as staande wielen
- voortplantingsorgaan bij schimmels en bacteriën, spore
- hol uitsteeksel aan de voet van een kelkblad, kroonblad of vergroeide kroon
- metalen punt of getand wieltje aan de hiel van de rijlaars
- doornachtige uitsteeksel aan de poten van mannelijke, hoenderachtige vogels
- een zeer kleine hoeveelheid van iets, of een vage aanwijzing dat ergens sprake van is
- (afdruk).
Hoe spreek je spoor uit?
/spor/
Spoor bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| p | pak |
| o | boot |
| r | rood |
zelfstandig naamwoord — neuter
- afdruk; teken dat iemand ergens is of is geweest
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| spoortje | verkleinwoord, enkelvoud |
| spoortjes | verkleinwoord, meervoud |
| sporen | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van sporen
- gebiedende wijs van sporen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van sporen
Vervoeging van spoor
spoorhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘voetindruk’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1100
Woordfamilie van spoor
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| spoortje | verkleinwoord | spoor |
| spoortjes | verkleinwoord meervoud | spoor |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van spoor zijn vastgelegd.