antenne
zelfstandig naamwoord ɑnˈtɛnəBetekenis
- een vrij opgestelde elektrische geleider voor het uitzenden en/of ontvangen van elektromagnetische straling in het radiofrequente gedeelte van het elektromagnetische spectrum
- een voelspriet bij verschillende dieren/insecten
- het staafje van de dobber van een vislijn
- ra van een zeil
Hoe spreek je antenne uit?
/ɑnˈtɛnə/
Antenne bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| n | nek |
| t | tak |
| ɛ | bed |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- voelspriet bij insecten en andere geleedpotigen
- staafje van de dobber aan een vislijn
- het vermogen om een boodschap van anderen goed te begrijpen figuratively
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| antennen | meervoud |
| antennes | meervoud |
| antennetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| antennetjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Van het Italiaanse antenna. In de betekenis van ‘draad voor het zenden en ontvangen van elektromagnetische golven’ voor het eerst aangetroffen in 1906.
Woordfamilie van antenne
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| antennen | meervoud | antenne |
| antennes | meervoud | antenne |
| antennetje | verkleinwoord | antenne |
| antennetjes | verkleinwoord meervoud | antenne |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van antenne zijn vastgelegd.