bark
zelfstandig naamwoord ˈbɑrᵊkBetekenis
- typen zijlschepen met drie of meer masten
- berk
- blaffen
- ontschorsen
- schrapen
- schors
- geblaf
- schors, bast
Hoe spreek je bark uit?
/ˈbɑrək/
Bark bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ɑ | bad |
| r | rood |
| ə | de |
| k | kat |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- bepaald type zeilschip met drie of meer masten
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| barken | meervoud |
| barkje | verkleinwoord, enkelvoud |
| barkjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
via Middelnederlands bargh van Oudfrans barque, in de betekenis van ‘type zeilschip’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1370
Woordfamilie van bark
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| barken | meervoud | bark |
| barkje | verkleinwoord | bark |
| barkjes | verkleinwoord meervoud | bark |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bark zijn vastgelegd.