schip
zelfstandig naamwoord sxɪpBetekenis
- een groot vaartuig voor de verplaatsing over water
- grootste ruimte in de lengterichting van een kerkgebouw
Hoe spreek je schip uit?
/sxɪp/
Schip bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| x | acht |
| ɪ | pit |
| p | pak |
zelfstandig naamwoord — neuter
- groot zeevarend vaartuig voor het vervoer van passagiers of goederen, meestal voortbewogen door zeilen of motoren
- middelste en grootste ruimte in de lengterichting van een kruiskerk die zich uitstrekt van de narthex tot het koor en wordt geflankeerd door zijbeuken
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| scheepje | verkleinwoord, enkelvoud |
| scheepjes | verkleinwoord, meervoud |
| schepen | meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘groot zeewaardig vaartuig’ voor het eerst aangetroffen in 1076.
Woordfamilie van schip
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| scheepje | verkleinwoord | schip |
| scheepjes | verkleinwoord meervoud | schip |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schip zijn vastgelegd.
Afleidingen en samenstellingen
- scheepsagentuur
- scheepsarts
- scheepsbeschuit
- scheepsbevrachter
- scheepsbouw
- scheepsdek
- scheepsdokter
- scheepsjager
- scheepsjongen
- scheepskompas
- scheepslading
- scheepslengte
- scheepsmakelaar
- scheepsrecht
- scheepsregister
- scheepsreis
- scheepsruim
- scheepsvolk
- scheepsvracht
- scheepswand
- scheepswerf
- scheepswerktuigkundige
- scheepvaart
- schepeling