spoel
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- een cilindrische vorm (klos) waaromheen een vezel of draad gewonden kan worden (bij het spinnen, weven of machinaal naaien)
- met geleidingsdraad omwonden klos of cilinder, (solenoïde) die de eigenschap van zelfinductie heeft
- rond voorwerp om film- en geluidsbanden omheen te wikkelen
- schietspoel
- het holle, doorschijnende ondereinde van een veer
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| spoelen | meervoud |
| spoeltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| spoeltjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van spoelen
- gebiedende wijs van spoelen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van spoelen
Vervoeging van spoel
spoelhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘klos’ voor het eerst aangetroffen in 1477
Woordfamilie van spoel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| spoels | meervoud | spoel |
| spoeltje | verkleinwoord | spoel |
| spoeltjes | verkleinwoord meervoud | spoel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van spoel zijn vastgelegd.