jongleur
zelfstandig naamwoord /jɔŋˈlør/Betekenis
- een in het Zuid-Frankrijk van weleer, langs kastelen en vorstenhoven rondreizend kunstenaar, acrobaat, musicus, zanger van liederen en voordrager van gedichten, balladen e.d.
- een langs herbergen, jaarmarkten rondtrekkend artiest, goochelaar, acrobaat, muzikant, zanger van liedjes en komediant
- de artiest die zo veel mogelijk objecten weet op te gooien en weer weet op te vangen, zonder dat er één op de grond terecht komt (die jongleert)
Hoe spreek je jongleur uit?
/jɔŋˈlør/
Jongleur bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| j | ja |
| ɔ | bot |
| ŋ | ding |
| l | land |
| ø | deur |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- de artiest die zo veel mogelijk objecten weet op te gooien en weer weet op te vangen, zonder dat er een op de grond terecht komt (die jongleert)
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| jongleurs | meervoud |
| jongleurtje | verkleinwoord, enkelvoud |
| jongleurtjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘evenwichtskunstenaar’ voor het eerst aangetroffen in 1566
Woordfamilie van jongleur
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| jongleurs | meervoud | jongleur |
| jongleurtje | verkleinwoord | jongleur |
| jongleurtjes | verkleinwoord meervoud | jongleur |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van jongleur zijn vastgelegd.