majeur
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord maˈʒørBetekenis
- een toonsoort met een opgeruimd karakter
- “groot” in de benaming van bepaalde intervallen, akkoorden en toonladders; wordt vaak genoemd in combinatie met het terts-interval
- meerderjarige
- middelvinger
- majeurtoonaard, majeurakkoord
- belangrijker, groter, meerderjarig
Hoe spreek je majeur uit?
/maˈʒør/
Majeur bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| m | maan |
| a | maan |
| ʒ | journaal |
| ø | deur |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- toonsoort met een vrolijk of opgeruimd karakter
- “grote afstand” in de benaming van bepaalde intervallen, akkoorden en toonladders, vaak als eerste deel van een samenstelling met het terts-interval of als tweede deel van een samenstelling met een toonsoort
bijvoeglijk naamwoord
- met veel omvang
- van grote betekenis
Herkomst
zn: van Frans majeur zn , in de betekenis van ‘grotetertstoonschaal’ voor het eerst aangetroffen in 1872
Woordfamilie van majeur
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| majeure | woordvorm | majeur |
| majeurs | woordvorm | majeur |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van majeur zijn vastgelegd.